Chapter Ten

 

Ik word de volgende ochtend abrupt uit een heerlijke droom gewekt, door een of ander hard geluid. Ik kreun protesterend en begraaf mijn hoofd zo diep mogelijk weg in mijn kussen, om dan pas tot de ontdekking te komen dat ik helemaal niet in mijn eigen bed lig.
O fuck. Alle herinneringen aan vannacht komen als een mokerslag in mijn hoofd binnen en ik steek meteen mijn vingers door mijn warrige haardos. Ik blijf vervolgens een paar minuten zwijgend naar het plafond staren - terwijl mijn hart als een razende tekeer gaat - en probeer een soort conclusie te koppelen aan hetgeen ik nu voel.
Ik kom echter niet tot een eenduidig antwoord, aangezien alles wat ik nu ervaar zo ontzettend dubbel is. Hetgeen ik gedaan heb is gewoon verkeerd, maar als ik terugdenk aan hoe goed het voelde… dan kan ik er gewoonweg geen spijt van hebben. Ik heb het gevoel alsof ik er spijt van moet hebben - omdat ik dat aan Lars verplicht ben - maar ik voel het niet.
Waarschijnlijk is dit wat ze bedoelen met verleiding, hetgeen waar mijn moeder mij al mijn hele leven voor waarschuwt. Het is een duivelse beproeving, die je als goede echtgenoot zou moeten kunnen doorstaan. Ik ben echter keihard gefaald voor deze test en ik blijf me maar afvragen wat dit nu precies betekent.
'O, je bent al wakker,' klinkt het opeens vanuit de deuropening.
Ik schrik me rot door Deans stem, omdat ik hem helemaal niet verwacht had. Aangezien hij niet naast me lag, ga ik er vanuit dat hij vannacht ergens anders heeft geslapen en ik had niet gedacht dat hij nu al wakker zou zijn.
Hij loopt een paar passen zijn slaapkamer binnen en ik zie dat hij een verwassen jeans, met een simpel, wit shirt draagt. Het valt meteen op dat hij bedekt is met zwarte vegen, alsof hij zojuist door de schoonsteen gekropen is of zo. ’Nog steeds alles oké?'
Ik knik, want ik wil hem nergens mee lastig vallen. Het heeft geen zin om mijn schuldgevoel met hem te bespreken, want ik denk niet dat het hem veel kan schelen. 'Heb je door de modder gerold of zo?'
'Nee.' Hij lacht heel even, zet weer een paar stappen naar voren en komt voor de rand van zijn bed weer tot stilstand. 'Ik heb je auto gemaakt. Je zult nog even langs een garage moeten om je motorkap uit te laten deuken, maar je kunt er nu in ieder geval weer mee rijden.'
Hij heeft mijn auto gemaakt. Ik weet niet eens waarom ik daardoor alweer zo een stomme kriebel in mijn buik voel. Het feit dat hij in staat is om mijn auto te maken wind me op een bizarre manier op of zo. Lars heeft ontzettend veel verstand van auto’s, maar ik durf te wedden dat hij nog geen bougie - of hoe die dingen ook heten - kan vervangen. ’Ben je automonteur?’
'Het is meer een hobby.' Weer verschijnt er een klein lachje op zijn gezicht, al slaat hij ook vrij snel zijn ogen weer neer en wrijft even met zijn hand over de achterzijde van zijn nek. 'Misschien eh… wil je nog even douchen, voordat je weer gaat?'
O, oké. Het is wel duidelijk dat hij me probeert eruit te loodsen en het voelt behoorlijk beschamend en ongemakkelijk. Ik kan hem maar beter uit zijn lijden verlossen en zo snel mogelijk vertrekken. ’Ah, nee. Dat hoeft niet, hoor. Ik ben zo weg…’
'Je ruikt naar mij, Nina.'
Ik ruik naar hem?
Ik draai mijn hoofd naar rechts en druk mijn neus tegen de huid van mijn schouder, om vervolgens mijn - of dus eigenlijk zijn - geur te inhaleren. 'Ik ruik inderdaad naar jou,' mompel ik. En ik wil het helemaal niet van me afwassen.
'Ik denk niet dat je man daar blij mee is.'
Shit, inderdaad. Niet dat Lars ooit dicht genoeg bij me in de buurt komt om die geur op te pikken, maar toch zeg ik: ’Ik kan inderdaad beter even douchen, ja.’
Er volgt een redelijk ongemakkelijk moment, waarin ik mijn benen uit het bed laat glijden en me op datzelfde moment realiseer dat ik geheel naakt ben. Shit, dat was ik even vergeten en op dit moment voelt het lang niet zo comfortabel als hoe het vannacht voelde. Mijn kleding bevindt zich waarschijnlijk nog ergens tussen de kerstversiering - op de vloer van de woonkamer - dus ik kan ook niet snel iets aantrekken.
'Mag ik misschien wat privacy?' besluit ik te vragen, wanneer hij mijn ongemak niet lijkt op te merken — of het gewoon negeert.
'Ja, eh… natuurlijk.' Hij lacht weer, alsof hij mijn vraag ontzettend grappig vindt. Misschien had hij verwacht dat, nu hij me één keer naakt heeft gezien, ik de hele dag zonder kleding zou rond paraderen of zo. Ik ben echter geen nymfomane en ik prefereer toch echt om gekleed door het leven te gaan. 'De badkamer is hiernaast.'
'Hé eh… mag ik je misschien iets vragen?'
Voor mijn afspraak met Sander was ik goed voorbereid, dus ik heb een setje extra kleding in mijn auto liggen. Ik kan immers niet met mijn rode jurk - waarvan Deans vrouw, eh... ex dacht dat deze aan een hoer toebehoorde - zometeen in de kerk verschijnen. Maar mijn spullen liggen dus nog in mijn auto, aangezien ik niet van te voren in had gecalculeerd dat ik hier de nacht zou spenderen.
'Zou je misschien mijn tas uit mijn auto willen pakken?'
Hij knikt meteen en grijnst vervolgens even, op diezelfde manier zoals hij gisteren af en toe grijnsde. 'Tuurlijk. Heb je verder nog ergens hulp bij nodig?'
O god, waarom moet hij dat nou weer vragen, op een toon die meteen duidelijk maakt dat hij het niet heeft over hulp bij het zoeken van de badhanddoeken of zijn douchegel.
'Nee,' antwoord ik met een schorre stem, terwijl ik voel dat mijn wangen alweer beginnen te gloeien. Ik voel me opeens gigantisch verlegen, iets wat ik helemaal niet ben. 'Ik denk dat het wel lukt, dankje…'

 

Een klein kwartiertje later sta ik fris gedoucht, in mijn hooggesloten donkerblauwe kokerjurk en zwarte colbertjasje in de woonkamer. Het voelde ongemakkelijk om een uitgebreide douche te nemen, dus ik heb zo snel mogelijk mijn lichaam gewassen… en zijn geur van me afgespoeld.
Op dit moment probeer ik mijn knalrode jurk te vinden, maar dat verdomde ding lijkt wel exact dezelfde kleur te hebben als de kerstversiering, waardoor het nogal lastig te vinden is.
'Dat is even wat anders…' hoor ik wederom vanuit de deuropening.
'Wat?' Godzijdank merk ik eindelijk mijn knalrode jurk op tussen allerlei rode slingers, dus ik gris het kledingstuk snel van de vloer en draai me vervolgens om.
'Dat je er anders uitziet.' Dean leunt met zijn schouder tegen de deurpost en bijt net een grote hap uit een tosti. 'Ga je naar de kerk of zo?' vraagt hij vervolgens met zijn mondvol brood, kaas en ham. Zijn manieren laten echt te wensen over.
'Eh, ja…' Ik weet dat zijn vraag als grap of flauwe opmerking bedoeld is, dus hij zal mijn antwoord vast niet serieus opvatten, ook al is het dat wel. Er volgt een korte, vrij ongemakkelijke stilte en ik krijg een blik die ik niet zo goed kan plaatsen.
Vervolgens haalt hij zijn schouders omhoog, steekt zijn - half opgegeten - tosti in de lucht en neemt er wederom een hap uit. 'Honger?'
Nog voordat ik kan antwoorden - ik had nee willen zeggen - draait hij zich al om en loopt hij terug naar de keuken. 'Wil je me niet weg hebben?' roep ik hem na, terwijl ik mijn jurk vlug wegstop in mijn tas en ondertussen nog snel mijn bh uit de kerstversiering vandaan gris.
Ik heb geen idee hoe dit soort dingen - one-night-stands enzo - in zijn werk gaan, maar ik ging er een beetje vanuit dat het niet gebruikelijk was om lang rond te blijven hangen. Daarnaast heeft Dean ook wel wat anders aan zijn hoofd, zoals het rouwen om zijn kind.
Hij reageert niet op mijn vraag, dus ik volg hem richting de keuken en herhaal: 'Wil je me niet weg hebben?'
'Ik hoorde je de eerste keer ook al,' antwoordt hij op een norse toon. Hij neemt plaats aan het kookeiland en haalt het laatste restje van zijn tosti over een bord -  door een dikke klodder ketchup - waar nog een tosti op ligt. 'Ik vroeg of je honger had…' Hij schuift het bord met de overgebleven tosti over het kookeiland en klopt op het zitvlak van de kruk die ervoor staat. 'Ga zitten.'
Ik loop er langzaam naartoe, ook al wilde ik in eerste instantie weigeren om hier te ontbijten, en neem twijfelend plaats op de kruk. Misschien stel ik me ontzettend aan, maar ik vind het een beetje gek om nu doodnormaal tegen elkaar te doen, terwijl we gisteren… O mijn god, ik kan er beter niet meer aan denken.
Ik pluk een hoekje van de tosti af en probeer ondertussen het overige deel zo ver mogelijk bij de klodder ketchup vandaan te houden. Ik sluit mijn ogen heel even en spreek in gedachten mijn dank uit voor dit eten — een gewoonte die mijn ouders mij al van jongs af aan bijgebracht hebben. 
Wanneer ik mijn ogen weer open, voel ik dat de ijsblauwe ogen van Dean op mij gericht zijn. Ik weet dat mijn gewoonte hem zojuist is opgevallen, maar ik heb geen zin om mij erover te moeten verantwoorden. Ik besluit daarom om de stilte meteen te doorbreken - voordat hij er een vraag over kan stellen - en over iets anders te beginnen. 'Waar heb jij eigenlijk geslapen?'
'In mijn bed.'
Ik wil net het stukje tosti naar mijn mond brengen, maar ik laat mijn hand ergens halverwege mijn mond in de lucht zweven. Dit had ik absoluut niet verwacht. 'Naast mij?'
'Meer onder jou. Ik kon geen kant op.'
Dat is onzin, want hij had me gemakkelijk kunnen verplaatsen. Ik verbaas me echter meer over het feit dat iemand - en dus ook ikzelf - in zo een houding in slaap kan vallen. Lars en ik slapen altijd met onze ruggen naar elkaar gericht, beiden aan het andere uiteinde van het bed. ’En heb je zo kunnen slapen?’
'Langer dan ik in de hele afgelopen week geslapen heb.'
O shit. Ik weet niet zo goed hoe ik op op zijn opmerking moet reageren, maar om de een of andere reden brengt het een soort brok in mijn keel teweeg, waardoor slikken opeens behoorlijk moeizaam gaat. Ik pak daarom het glas water dat op het kookeiland staat en neem een slok.
'Dat is geen water!' kuch ik meteen. Gadverdamme, dat was wodka.
'Ik heb ook niet gezegd dat het water was.' Hij grist het glas meteen weer uit mijn hand en schuift het naar de zijkant van het kookeiland. 'Wil je water?' vraagt hij vervolgens op een geërgerde toon, alsof hij het mij kwalijk neemt dat ik hem zojuist betrapt heb op zijn drankgebruik.
'Nee, dankje. Ik hoef niks.' Ik pluk nog een stukje van mijn tosti, maar eigenlijk is mijn honger alweer ver voorbij. Eerlijk gezegd vind ik het nogal zorgwekkend dat hij blijkbaar in de ochtend al alcohol nuttigt, maar het is niet mijn taak noch mijn plek om hem hier op aan te spreken. Ik houd daarom mijn mond en kauw vrij lang op het stukje tosti in mijn mond, terwijl ik ondertussen niet goed weet waar ik mijn blik op moet richten.
'Ik zit niet op je commentaar te wachten, Nina.'
Ik ben ontzettend verontwaardigd, aangezien ik net heel hard mijn best aan het doen ben om mijn mond erover te houden. 'Ik zeg helemaal niks!'
Hij reikt plots zijn hand omhoog en strijkt een lok van mijn bruine haren achter mijn oor, zodat mijn rechteroog zichtbaar wordt. De aanraking van zijn vingertoppen op mijn huid is nog net zo intens als gisteravond, maar toch voel ik me er nu anders bij. ’Die blik zegt al genoeg.'
Ik voel me ongemakkelijk en pluk nog een stuk van mijn tosti, om mijn blik maar niet op hem te hoeven richten. Ondertussen voel ik zijn ogen zowat in mijn huid branden. 'Wil je alsjeblieft niet zo naar me kijken?'
'Ah, ja… ik was even vergeten dat je nu weer bruin bent.'
Wat? Die opmerking kan ik echt totaal niet plaatsen. 'Waar slaat dat nou weer op?'
'Je ogen…' Hij wijst met zijn wijsvinger van mijn linker- naar mijn rechteroog. 'Nu ben je weer het brave meisje.'
Hij had het gisteren inderdaad over het kleurverschil van mijn ogen, die volgens hem voor een bepaalde kant van mezelf stonden. Mijn donkerbruine oog was in zijn woorden de trouwe, lieve en rustige kant. Mijn groene oog… daar moesten we nog achterkomen.
Ik geloof dat ik er ondertussen wel achter ben gekomen, al heb ik ook zo een vermoeden dat ik het beter niet had kunnen weten. Nu ik weet wat ik al die tijd al misloop, is het opeens ontzettend pijnlijk om er zometeen bij vandaan te lopen. Ik weet dat het beter is en dat het nodig is... maar dat maakt het nog niet gemakkelijk.
Hij haalt me uit mijn gedachten, door met zijn wijsvinger in mijn zij te prikken, waardoor ik mijn rug recht. 'Die groene kant was ook wel leuk...'
Ik sla meteen mijn ogen neer en druk mijn voortanden in mijn onderlip. Mijn wangen staan zowat in brand, omdat ik zijn opmerking nogal beschamend vind. Die groene kant kan ik beter zo snel mogelijk weer wegstoppen en proberen te vergeten, aangezien het me allerlei gevoelens laat ervaren die ik helemaal niet mag voelen.
'Ik ga er maar eens vandoor,' zeg ik vrij abrupt en ik schuif al meteen van mijn kruk. Ik voel ineens een sterk aanwezige drang om hier zo snel mogelijk vandaan te komen. Het wordt tijd om terug te keren naar mijn echte leven - mijn leven met Lars - en dat kan ik het beste doen door zo ver mogelijk uit Deans buurt te blijven. 
Toch kan ik het niet over mijn hart verkrijgen om meteen het huis uit te stormen, zonder hem te bedanken. Hij heeft me immers in zijn huis toegelaten, ook al had hij wellicht niet de meest goede bedoelingen.
Ik wilde hem specifiek bedanken voor het maken van mijn auto, het gebruik mogen maken van zijn douche, de half opgegeten tosti... maar er komt slechts uit mijn mond. 'Dankjewel... voor alles.'