Chapter Two

 

'And I know that he knows I’m unfaithful, and it kills him inside…’ Ik verwissel meteen de radiozender, zodra ik me realiseer welke tekst ik mee aan het zingen ben. Shit, geen Rihanna meer alsjeblieft.
De volgende zender is echter niet veel beter, aangezien ik Lorde hoor zingen 'let’s embrace the point of no return'. Het lijkt nu wel heel erg alsof ik een teken van boven krijg, als een laatste waarschuwing om terug naar huis te keren. Ik besluit de radio maar uit te zetten, voordat ik het volgende nummer over vreemdgaan te horen krijg.
De sneeuwval van vandaag was tijdig aangekondigd. Het valt nou eenmaal exact samen met mijn meest vruchtbare dag en ik wilde me niet uit het veld laten slaan door een beetje sneeuw.
Helaas is dat beetje sneeuw een gigantische storm geworden en inmiddels ben ik al dik twee uur onderweg naar het adres van Sander. Het leek me wel een goed idee om een man te zoeken die niet te dicht bij onze woonplaats in de buurt woonde, zodat ik hem hopelijk hierna nooit meer ergens tegen zal komen. Op dit moment kan ik echter alleen maar hopen dat ik heelhuids bij zijn woning aan zal komen. Het voordeel van de storm is wel dat het vrij rustig is op de weg, aangezien de meeste bestuurders ervoor kiezen om veilig binnen te blijven. 
De navigatie op mijn telefoon heeft me inmiddels van de autosnelweg geleid en geeft aan dat het nu nog ongeveer een half uurtje rijden is. In deze weersomstandigheden denk ik echter dat ik minstens een uur onderweg ben, al helemaal nu ik zie hoe onberijdbaar de wegen eruit zien die ik nu tegemoet rijd.
De sneeuwstorm heeft duidelijk niet alleen mij overdonderd, want het ziet er niet naar uit dat er buiten de autosnelwegen al op veel wegen zout is gestrooid. Ik heb geen andere keuze dan stapvoets te rijden. Ondertussen stuur ik snel een bericht naar Sander, om door te geven dat ik wat vertraging op heb gelopen.
Het verbaast me dat mijn telefoon piept en aangeeft dat mijn batterij leeg is, zodra ik hem in mijn hand neem. Ik weet zeker dat ik dat ding volledig op heb geladen, voordat ik thuis vertrok.
'Nee, nee, nee! Niet uitvallen!' jammer ik tegen mijn telefoon, alsof dat ook maar enig effect heeft. Het scherm flikkert nog een keer, vlak nadat ik het bericht naar Sander verzonden heb, en valt vervolgens uit.
Ik heb echter grotere zorgen dan mijn telefoon, want door mijn onoplettendheid, zie ik helemaal niet dat de auto voor me inmiddels volledig tot stilstand is gekomen. Ik druk op mijn rempedaal, maar ik voel al meteen dat mijn banden geen enkele grip op hun ondergrond krijgen.
Ik schuif verder over het gladde wegdek... en verder... en verder. Mijn ogen knijp ik dicht en dan kom ik opeens met een harde klap tot stilstand.
Mijn hartslag schiet razendsnel omhoog en mijn brein probeert te beseffen wat er zojuist gebeurd is. Voor mijn gevoel was mijn snelheid helemaal niet zo hoog, maar het geluid van de klap kwam denderend hard binnen.
Ik hoor vervolgens een sissend geluid, alsof er een vloeistof met hoge druk uit een slangetje spuit. Wanneer ik mijn ogen voorzichtig open, zie ik door het voorraam dat er een grote rookwolk uit de motorkap van mijn auto komt. Ook zie ik dat ik wat blikschade heb, want de zijkant van mijn motorkap is een klein stukje omhoog gedeukt.
Fuck. Ik heb niet veel verstand van auto’s, maar ik denk niet dat ik nog kan rijden met een auto die vloeistof lekt en waarvan de motorkap dusdanig dampt, dat het ondertussen het gehele zicht van mijn voorruit belemmert.
Mijn rug schiet van schrik omhoog, wanneer ik plots een harde claxon hoor, alsof degene tegen wie ik zojuist gebotst ben me alsnog probeert te waarschuwen, wat natuurlijk al veel te laat is.
Ik zie dat het portier van de auto voor me open gaat en vervolgens hoor ik het met een keiharde knal weer dichtslaan, vergezeld door een hoop gevloek. Ik begin nu te vermoeden dat het helemaal geen waarschuwingsclaxon was, maar een ram tegen het stuur uit boosheid en frustratie.
Nog voordat ik het in de gaten heb, wordt mijn portier open gerukt en voel ik de vrieskou tegen mijn in netkousen gehulde benen. Ik draai meteen mijn hoofd naar links, enerzijds uit schrik, maar ook uit verontwaardiging.
Het is duidelijk een man, al kan ik zijn gezicht nog niet zien, omdat het te donker is en omdat hij totaal geen moeite doet om op ooghoogte met mij te komen. Ik zie slechts een donkere broek, waar het uiteinde van een zwarte jas overheen valt. Hij staat vlak naast mijn portier, bijna alsof hij zometeen in gaat stappen en voor mijn gevoel veel te dichtbij.
Wanneer ik vervolgens een korte, botte - en vooral commanderende - stap uit hoor, begin ik langzaamaan, net als mijn auto, te koken. De manier waarop mijn portier open gerukt wordt en de houding van degene die naast mijn auto staat, staan me totaal niet aan. Ik begrijp dat die persoon boos - misschien ook geschrokken - is, maar ik heb dit niet met opzet gedaan, dus er is helemaal geen reden om zo buitensporig te reageren.
Ik schuif mijn benen uit het portier, zodat ik zometeen uit kan stappen. 'Zet jij eerst maar eens een stap naar achteren, engerd! Je hoeft niet zo te snauwen, want ik heb dit niet opzettelijk gedaan en ik vind het ook behoorlijk kut, hoor! Dacht je dat ik mijn avond op deze manier gepland had? Ik heb ook wel iets beters…' O fuck. Zodra ik de hoge hakken van mijn zwarte Louboutin-pumps op de bevroren ondergrond plaats en mezelf omhoog duw vanaf mijn stoel, schieten de gladde zolen van mijn schoenen over het ijslaagje op de grond. In plaats van overeind te komen, vlieg ik met een rotvaart - vergezeld door een hoge, harde gil - met mijn billen tegen de koude en keiharde ondergrond. 'Ah kutzooi!'
Ik voel meteen dat de stof van mijn knalrode jurkje nat wordt en mijn huid bevriest zowat. Het doet pijn, ik schaam me dood en ik ben behoorlijk gefrustreerd. Dat ik vervolgens gegniffel naast me hoor, laat me bijna ontploffen van woede.
'Lach je mij nu uit?!' Ik zet mijn handen tegen de koude ondergrond en duw mezelf overeind, waarbij ik er niet onderuit kom om op mijn knieën te gaan zitten, om enige grip te krijgen. Het ziet er vast alles behalve charmant uit, maar dat kan me niet zo veel schelen.
De vreemdeling naast me besluit blijkbaar dat hij toch nog enige vorm van manieren heeft en biedt me een helpende hand, door mijn bovenarm vast te pakken en me daarmee te ondersteunen, wanneer ik eindelijk overeind weet te komen.
Ik blaas een verdwaalde pluk van mijn bruine lokken uit mijn gezicht en kijk vervolgens op, naar degene die net het lef had om mij uit te lachen. 'Ik…' Ik weet niet eens wat ik wilde zeggen, want zodra ik in zijn ogen kijk, lijken mijn hersenen spontaan bevangen door de vrieskou.
Ze lijken zilver, of misschien zijn ze heel lichtblauw. Heel misschien zijn ze wel lichtgroen, maar het is te donker om  het goed te kunnen zien. Ze laten me in ieder geval denken aan een bevroren meer, licht en glinsterend, met hier en daar een barst erin die kleurverschil veroorzaakt.
Op zijn wenkbrauwen is een lichte frons zichtbaar, die bijna vragend lijkt. Alsof hij mij zonder woorden probeert te vragen of alles oké is, maar hij vraagt het niet. Waarschijnlijk is hij daar te onbeschoft voor.
Wanneer ik hem al even aanstaar, laat hij mijn arm los en zet hij een stap naar achteren. Ik weet niet precies waarom ik teleurstelling voel wanneer hij een pakje Marlboro uit zijn jaszak haalt en een kort moment later een filtersigaret tussen zijn perfect gevormde lippen steekt. Ik heb een hekel aan mannen die roken, maar ik weet niet waarom me dat nu iets kan schelen.
Hij haalt een Zippo-aansteker tevoorschijn en gaat in een soepele beweging met zijn duim over het kleine rad, wat de vlam  in de aansteker ontbrandt. Zijn gezicht licht voor heel even op in het vuur van zijn aansteker en de kleur van zijn ogen wordt voor heel even zichtbaar. Ijsblauw.
Hij neemt een hijs van zijn sigaret en steekt de filter vervolgens tussen de onderkant van zijn wijs- en middelvinger, waarna hij mij een klein knikje geeft. Ik sta nog steeds als een of ander verlegen schoolmeisje te staren, alsof deze klootzak ook maar enige indruk op me maakt.
Stiekem doet hij dat ook. Veel meer dan ik wil toegeven.
'Jij hebt dit veroorzaakt.' Hij klinkt beschuldigend, alsof ik een gigantische misdaad begaan heb en hij mijn bloed wel kan drinken. 'Dus ik hoop voor je dat je een goede advocaat hebt.'
Eh… Wacht even. Advocaat?
Ik frons mijn wenkbrauwen en schud verward mijn hoofd, terwijl ik probeer na te denken of dit niet een behoorlijk overdreven reactie is. Ik heb nog nooit een auto-ongeval meegemaakt - laat staan veroorzaakt - dus ik weet niet precies hoe dit in zijn werk gaat, maar ik kan me niet voorstellen dat hier advocaten aan te pas moeten komen.
'Volgens mij is dit meer iets wat de verzekering moet afhandelen, ik denk niet…'
Hij laat me niet eens uitpraten. Onbeschoft. 'Dat zullen we nog wel eens zien. Ik pluk je helemaal kaal, hoor je me?' Luid en duidelijk. 'Je hebt me op de verkeerde dag getroffen.'
Ik vraag me af wat hij daarmee bedoelt en wat deze dag te maken heeft met zijn uitspraak dat hij me daarom kaal gaat plukken. 
'Dus als ik je gisteren had getroffen, was je vriendelijk geweest?' Ik geloof er eigenlijk niets van, want volgens mij is hij gewoon een klootzak, elke dag. Hij straalt iets nors en kwaadaardigs uit, alsof hij altijd chagrijnig is. Zelfs de manier waarop hij een hijs van zijn sigaret neemt, heeft iets chagrijnigs, alsof het hem helemaal niet smaakt.
'Nee,' antwoordt hij, net zo nors als dat hij eruit ziet. 'Misschien twee weken geleden. Nu niet meer. Geen behoefte aan. Dus, pech voor jou.' Hij maakt het af met een korte ophaal van zijn schouders en een nonchalante hijs van die gore sigaret, waarna hij een flinke rookwolk de lucht in blaast.
Ik ben meteen nieuwsgierig naar wat er in de afgelopen twee weken gebeurd is, waardoor hij nu eruit ziet alsof hij een hekel aan het hele universum heeft. Ik ga het echter niet aan hem vragen, want ik gun hem mijn aandacht niet. Daar roept zijn onbeschoftheid veel te veel opstandigheid bij mij voor op.
'Pf, Whatever.' Ik sla mijn armen over elkaar, gooi mijn neus omhoog en wend mijn blik af, zodat ik hem niet meer aankijk.
'Whatever? Hoe oud ben je in godsnaam? Ben je wel oud genoeg voor een rijbewijs?'
O mijn god. Ik draai meteen mijn hoofd terug en werp hem een beledigende blik toe. Hij oogt zelf slechts een paar jaar ouder dan ik, misschien midden twintig of zo. 'Ik ben tweeëntwintig, sukkel.'
Ik wil weten hoe oud hij is, maar ik weiger het te vragen. Ik wil op geen enkele manier interesse in hem tonen, want dat verdient hij niet.
'Aha, ja, dat verklaart je kinderachtige gedrag wel.' Hij grijnst weer even - op een manier waarbij alleen zijn ogen even lijken te lachen, maar zijn mond amper beweegt - en schudt zijn hoofd, waardoor zijn halflange, golvende, donkerbruine haar heen en weer beweegt en lichtjes van model verandert, maar alsnog eruit ziet alsof het perfect op zijn plaats is gekamd.
'Moeten we niet iemand bellen of zo?' vraag ik maar, aangezien ik er vanuit ga dat de wegenwacht - of weet ik veel wie - hier aan te pas moet komen. Mijn auto ziet er behoorlijk gehavend uit, al ziet de rode Aston Martin van die klootzak er onaangetast uit, maar misschien zie ik dat niet goed vanuit deze positie.
Zodra ik zie dat hij een Aston Martin rijdt, schrik ik wel even. Ik heb - gezien mijn desinteresse in het onderwerp - veel te veel verstand van auto’s, omdat Lars er altijd belachelijk veel over praat. Ik vind het saai, maar ik luister uit beleefdheid en daardoor weet ik dat deze auto bespottelijk veel geld kost.
'Wie wil je bellen? Ik wil alleen je gegevens hebben en dan handelt mijn advocaat de rest af.'
Mijn gegevens? Ik ga toch niet zomaar mijn gegevens aan een vreemde - die ook nog eens de meest onsympathieke persoon is die ik ooit in mijn leven ontmoet heb - doorgeven?
'Ja, dag…' Ik lach even en schud mijn hoofd. Mijn armen sla ik nog wat strakker over elkaar, deels in een poging om mijn houding assertiever te maken, maar ook om mezelf te beschermen tegen de kou. 'Jij krijgt helemaal níks van mij!'
'Niet? Dus ik moet de politie bellen?' Hij kijkt verbaasd en geërgerd tegelijkertijd en ik vraag me echt af wat zijn probleem is.
'Moet je echt zo overdreven reageren?' Ik grom nog even, omdat deze man mijn geduld behoorlijk op de proef begint te stellen. Normaal ben ik echt een geduldig persoon - vind ik zelf - maar wanneer iemand weigert naar me te luisteren, zoals ik het gevoel krijg bij hem, kan ik mezelf amper beheersen.
'Ik vraag een vrij normale vraag, meisje…' Bah, wat klinkt dat denigrerend. 'Jij weigert je gegevens aan mij te geven, dus dan moet de politie het maar verder afhandelen. Jij hebt dit veroorzaakt, dus je zult hoe dan ook je verantwoordelijkheid hiervoor nemen, daar zorg ik wel voor.'
Ik heb bijna de neiging om mijn middelvinger naar hem op te steken, iets wat helemaal niet bij me past, maar mijn frustratie is opeens oncontroleerbaar.
Hij zucht, net zo gefrustreerd als ik ben, alsof ik zijn tijd aan het verdoen ben. 'Luister. Ik neem aan dat je verzekerd bent. Geef me je gegevens en dan handelen we het verder af. Ik wil gewoon naar huis.'
Dus nu wil hij me opeens niet meer kaalplukken? Blijkbaar verdoe ik echt zijn tijd. Hij verdoet mijn tijd trouwens ook, want ik was voor heel even vergeten hoe belangrijk deze avond is.
Shit. Nu mijn auto er zo uitziet, kan ik me niet meer voorstellen dat ik vanavond nog bij Sander terecht ga komen. Door dat stomme bericht wat ik hem zojuist heb gestuurd, ligt mijn auto nu in de kreukels.
Dubbel shit, want hoe ga ik aan Lars uitleggen dat ik op deze plek een ongeluk heb veroorzaakt? Ik ben helemaal niet in de buurt van Tilburg, dus ik weet niet hoe ik aan hem moet verklaren dat ik helemaal hier terecht ben gekomen.
'Oké. Mag ik je misschien iets vragen?' Ik klink opeens poeslief. Ik moet wel, want ik ben me opeens bewust dat ik - op een bepaalde manier - afhankelijk ben van deze vreemdeling. Als ik hier weg wil komen, zal ik namelijk de wegenwacht moeten bellen en aangezien de batterij van mijn iPhone het zojuist begeven heeft, heb ik hem nodig. 'Heb je misschien een telefoon waarmee ik even kan bellen? Mijn telefoon is uitgevallen en ik weet niet hoe ik hier anders wegkom.' Ik werp een blik op de motorkap van mijn auto, waar nog steeds een warme damp vanaf komt. Het sproeiende geluid is inmiddels wel gestopt.
Hij zucht weer en neemt een hijs van zijn sigaret, die hij de hele tijd aan de onderkant van zijn wijs- en middelvinger geklemd houdt, ook wanneer hij een teug neemt en de rook tot diep in zijn longen inhaleert.
'Ik bel de wegenwacht wel voor je.' Hij haalt een iPhone uit zijn broekzak - een nieuwere versie dan de mijne - en ontgrendelt het scherm met zijn duimafdruk. 'Maar dan geef je me daarna wel je gegevens.'
Ik knik, want dat klinkt prima. Zolang de wegenwacht me maar komt helpen, zodat ik hopelijk weer verder kan met mijn auto. Misschien kan ik er alsnog voor zorgen dat Lars niet achter mijn plannen voor vanavond komt, want het zou ons huwelijk verwoesten. Nu het niet eens meer gaat gebeuren, zou het al helemaal zonde zijn als hij erachter zou komen.
'Dag, we hebben net een kleine aanrijding gehad op de Ijzerlaan,' hoor ik hem door zijn telefoon zeggen. Hij draait zich weg van mij en ik zie dat hij weer een hijs van zijn sigaret neemt. 'Nee, alleen een beetje blikschade.' Hij zet zijn lange benen twee passen naar voren, om zich vervolgens om te draaien en ijsberend terug te lopen. 'Ja, dat is prima.'
Hij beëindigt het telefoongesprek en schiet vervolgens het laatste stukje van zijn sigaret weg tussen twee vingers, waardoor het brandende voorwerp door de lucht vliegt en even later met een sissend geluid op de natte en koude ondergrond terecht komt.
'Het gaat nog wel even duren,' zegt hij vervolgens. 'Ze hebben het erg druk en raden je aan om op een warme plek te wachten, maar het kan ook dat ze pas morgenochtend komen.'
Morgenochtend? Dit kan toch niet anders, dan een grapje zijn. 'Maar… het vriest?' Ik stel het als een vraag, omdat ik gewoon niet kan begrijpen hoe ze me hier aan mijn lot over kunnen laten. 'Ik kan toch niet tot morgenochtend in mijn auto blijven zitten in dit weer?'
'Je mag wel bij mij thuis wachten. We kunnen je auto meeslepen. Ik woon hier om de hoek.'
Dat voorstel verbaast me, omdat ik niet had verwacht dat hij überhaupt manieren zou hebben. Zijn voorstel laat me echter ook huiveren, want ik ken hem helemaal niet en ik zou normaal nooit zomaar met een vreemde mee naar huis gaan.
Ik stond echter op het punt om vanavond de nacht met een man, in zijn huis, door te brengen, die ik ook helemaal niet ken. Al weet ik van Sander wel net iets meer dan van deze man, want van hem weet ik helemaal niets.
Maar ik ben ook niet van plan om de nacht met hem door te brengen, zoals ik dat met Sander van plan was. Dit gaat slechts over schuilen voor de barre weersomstandigheden. Ik heb daarnaast ook vrij weinig keuze, want het alternatief kan ervoor zorgen dat ik onderkoeld raak.
'Dankjewel,' besluit ik te zeggen, nog steeds een beetje vertwijfeld. 'Dat zou fijn zijn.'
'Weet je hoe dit werkt?'
Ik kijk hem verbaasd aan, omdat ik geen idee heb wat hij bedoelt.
'Je auto meeslepen… Ik wil niet dat je nog een keer achterop de mijne botst.'
Ik lach schaapachtig en knik, aangezien ik al een keer eerder in een auto heb gereden die vooruit gesleept werd. Tot mijn verbazing biedt de - zojuist nog onbeschofte - vreemdeling mij een helpende hand aan, wanneer ik weer richting het portier van mijn auto wil lopen.
'Ik wil niet dat je je nek breekt,' zegt hij, wanneer ik vertwijfeld naar zijn uitgestoken hand kijk.
Ik neem zijn hand aan, want ik heb - wederom - niet veel trek in het alternatief, wat waarschijnlijk een snoekduik richting de grond is. Wanneer mijn vingertoppen over zijn ruwe vingers glijden, slik ik echter even. Mijn huid begint meteen te tintelen en lijkt kleine schokjes van elektriciteit door mijn arm, richting de rest van mijn lichaam te zenden. Mijn koude lichaam warmt spontaan op, alleen maar door een simpele aanraking.
Ik vraag me af of hij hetzelfde voelt, maar wanneer ik opkijk, omdat ik oogcontact wil maken, schenkt hij vrij weinig aandacht aan mij. Hij komt afwezig - bijna verveelt - over, alsof ik een grote last ben.
Waarschijnlijk ben ik dat ook, aangezien hij zich vast niet van te voren in had kunnen denken dat hij een vreemdeling mee naar zijn huis zou nemen. Ik had dit in ieder geval absoluut niet in mijn avond ingecalculeerd en het brengt mijn hele hoofd op hol. Ik kan er altijd slecht tegen, wanneer dingen anders lopen dan hoe ik ze gepland had… of komt dit gewoon door hem?
Hij is een klootzak - dat is wel duidelijk - maar mijn lichaam reageert op een bepaalde manier op hem. Een manier waarop ik nog nooit op Lars - of wie dan ook - gereageerd heb.
Zijn dit nou mijn hormonen, die mij helemaal in de war brengen? Sta ik in vuur en vlam, omdat ik zo wanhopig graag zwanger wil worden, dat mijn lichaam mij laat denken dat ik iets - behoorlijk verwarrends - voor deze onvriendelijke vreemdeling voel?
O god, ik ben echt helemaal door aan het draaien.