Chapter Three

 

Hij woont inderdaad om de hoek, maar hij had er niet bij verteld dat de straat waar we in waren nog zeker twee kilometer lang was, waardoor we uiteindelijk in een bosrijke omgeving uitkomen. In de middle of nowhere, de perfecte plek waar je niemand hoort gillen, mocht je per ongeluk met de verkeerde vreemdeling mee naar huis zijn gereden. De perfecte plek om ongezien - en vooral ongehoord - een moord te plegen.
Het past helemaal niet bij mij om zo onvoorzichtig te zijn. Ik plan altijd alles in mijn leven, deels om te voorkomen dat ik in gevaarlijke situaties terechtkom.
We rijden uiteindelijk via een grote ijzeren poort de oprijlaan van een vrijstaand huis op. Wanneer onze auto’s dichter bij het huis komen, springt er een grote spot aan, die de voorgevel van het gebouw verlicht. Het huis is gebouwd met donkergrijze bakstenen, met lichte voegen en een zwart pannendak. Aan zowel de linker- als de rechterzijde van de voorgevel is een grote erker gevestigd, met hoge ramen, reikend van de grond tot aan de bovenzijde van de benedenverdieping.
In het midden van de gevel is een grote, dubbele, zwarte voordeur gevestigd, met een zilvermetalen sleuf van een brievenbus in de linkerdeur. Het ziet eruit als een huis waar een gezin in woont, niet een huis waar een man alleen woont, al kan ik niet echt uitleggen waarom ik dat gevoel erbij krijg.
Hij lijkt wederom zijn manieren te hebben gevonden en biedt me een helpende hand bij het uitstappen. Ik besef me nu pas dat ik helemaal niet weet hoe hij heet en dat voelt vreemd, aangezien ik op het punt sta om zijn woning te betreden. 'Hoe heet je eigenlijk?'
'Dean.' Hij klinkt zelfs nors, wanneer hij zijn naam zegt.
Het gevoel wat ik krijg, wanneer ik hem aanraak, blijft ontzettend vreemd. Het is soort van verslavend en het maakt me nieuwsgierig, gretig naar meer, ook al weet ik dat ik mezelf moet tegenhouden.
Het lijkt er overigens ook niet op dat hij hetzelfde voelt - of hij weet het wel heel goed te verbergen - want wanneer ik mijn arm in de zijne haak en zowel mijn hartslag als mijn ademhaling gigantisch hard omhoog schieten, blijft hij koel en lijkt het er eerder op dat ik hem verveel.
Als we bij de voordeur aankomen - en we niet langer op een gladde ondergrond staan - laat hij mijn arm meteen los en opent hij de deur met een sleutel, die aan een volle sleutelbos hangt. Hij opent de deur en maakt met een handgebaar duidelijk dat ik hem voor moet gaan.
Ik betreed de duisternis van zijn woning, die gelukkig al snel wordt opgelicht, wanneer hij de hal - waarin we staan - verlicht via een knop, vlakbij de voordeur. Het is een grote hal, die helemaal doorloopt tot aan het uiteinde van de woning, want ik zie aan het eind twee grote, glazen deuren, die zicht bieden op een buitenterras - dat dankzij de witte sneeuwlaag goed zichtbaar is in het donker - pal achter de woning.
Aan de linkerzijde van de hal bevindt zich een kapstok, die volhangt met verschillende jassen en sjaals. Onder de kapstok staan schoenen in een daarvoor bestemd rek geïnstalleerd en het valt me meteen op dat er ook kinderschoenen tussen staan. Wanneer ik iets beter kijk, zie ik ook een paar jassen in kinderformaat aan de kapstok hangen.
'Heb je kinderen?' Ik draai mijn hoofd, om vervolgens tot de conclusie te komen dat ik helemaal alleen in de hal sta. Dean is - zonder dat ik het in de gaten had - weggelopen en ik heb geen idee waarheen.
Ik hoor wat geluiden uit een aangrenzende ruimte - aan de linkerzijde van de hal - en besluit om op het geluid af te lopen. Ik tref Dean aan in een open leefkeuken, achter een kookeiland. Voor hem staat een glas, dat hij net aan het volschenken is met wodka.
Mijn hoge hakken tikken hard tegen de tegelvloer, dus ik weet zeker dat hij mij hoort binnenkomen, maar hij kijkt niet op. Zijn aandacht is volledig op zijn glas gericht, die hij even later in één teug achterover gooit. Het lijkt alsof hij zijn keel open zet en helemaal niet slikt, de drank gewoon in zijn lichaam gooit, zonder het te proeven.
Ik vraag me af of hij misschien een drankprobleem heeft, aangezien hij zo wanhopig graag de vloeistof in zijn bloedbaan probeert te krijgen.
'Zou ik mijn telefoon misschien ergens kunnen opladen?' Het lijkt er heel even op dat ik nog steeds zijn aandacht niet heb weten te trekken, maar dan wijst hij alsnog richting een stopcontact, in de tegelwand, achter het aanrecht.
Ik loop erheen, terwijl Dean ondertussen zijn glas nogmaals volschenkt met wodka. Ik steek mijn oplader in het stopcontact en bevestig het andere uiteinde van de kabel in de onderkant van mijn telefoon. Het duurt altijd even, voordat hij aanspringt, nadat hij uitgevallen is, dus ik leg hem terug op het aanrecht en draai me om richting Dean.
Hij heeft inmiddels alweer een paar flinke slokken van zijn tweede glas wodka genomen en veegt net zijn mond af met de onderkant van de mouw van zijn zwarte colbert. Zijn zwarte jas hangt over een van de barkrukken, aan de zijkant van het kookeiland.
'Je kleren zijn nat.' Blijkbaar was hem dat opgevallen, al is dat niet heel verbazend, aangezien mijn gehele onderste achterkant zeiknat is, door mijn val. 'Wil je misschien wat droge kleren? Ik kan wat voor je pakken…'
Ik vraag me meteen af wat voor kleding hij voor mij wil pakken. Heeft hij misschien een vrouw en gaat hij me haar kleding aanbieden? Of verwacht hij dat ik zijn kleding aan ga trekken? Beiden lijken me vrij ongemakkelijk.
'Een handdoek zou fijn zijn, dan kan ik mijn jurk afdrogen.'
Zijn wenkbrauwen fronzen heel even, maar al snel haalt hij zijn schouders omhoog en verlaat - zonder nog iets te zeggen - de keuken. Ik vermoed dat communiceren niet een van zijn sterkste eigenschappen is.
Ik vind het vervelend dat ik hem totaal niet kan peilen, want ik hou er nou eenmaal van als ik mensen een beetje kan lezen. Dat maakt ze voorspelbaar voor me en daar functioneer ik nou eenmaal het beste op.
Zodra het scherm van mijn telefoon oplicht, ontgrendel ik hem door mijn code in te toetsen, waarna ik het toestel neerleg op het aanrechtblad.
Ik zie aan de andere zijde van de keuken - achter een grote, houten eettafel - een vitrinekast staan en vanaf een afstand kan ik al zien dat er op een van de planken foto’s staan. Ik loop er nieuwsgierig op af en richt mijn blik op de plank, die zich net boven mijn ooghoogte bevindt. Ik duw mezelf een beetje omhoog op mijn tenen, zodat ik de foto’s beter kan bekijken.
Het zijn verschillende foto’s van hetzelfde jongetje, al heeft hij op de foto’s wel steeds een andere leeftijd. Hij heeft donkerbruine krullen en lichte, ijsblauwe ogen. Het is overduidelijk een mini-versie van Dean, dus ik ga er vanuit dat dit zijn zoon is.
Dean staat zelf ook op een drietal foto’s en hij lacht breeduit op de foto’s, wat zijn strakke kaaklijnen nog beter uit laat komen en hem een ontzettend sexy uitstraling geven. Mijn god, die man zou de hele dag alleen maar moeten lachen, dan zou iedereen om hem heen wegsmelten.
'Hier.' Ik schrik van zijn stem, wanneer hij plots achter mij blijkt te staan. Ik voel me meteen betrapt, omdat ik nog steeds met mijn neus bovenop de foto’s sta, in zijn privé-spullen te snuffelen. Mijn wangen gloeien, wanneer ik me weer op de hakken van mijn voeten laat zakken en me langzaam omdraai.
Ik zie dat Dean een grote, witte handdoek voor me houdt. Ik neem hem met een ongemakkelijk lachje aan, terwijl ik mijn lichaamstemperatuur omhoog voel schieten. Ik hoop maar dat mijn hoofd niet zichtbaar rood is momenteel.
Het stemmetje in mijn hoofd - gevoed door mijn hormonen - spreekt me plotseling toe met de mededeling dat de man die voor mijn neus staat een zoon heeft, dus vruchtbaar is… net als Sander. Ik ben ook vruchtbaar, vanavond, om precies te zijn.
Ik schud meteen mijn hoofd, om die belachelijke gedachte ver uit mijn hoofd te verdringen. Ik ben echt krankzinnig aan het worden, dat dit überhaupt door mijn gedachten heen schiet.
Al is er wel iets, een bepaalde spanning… een soort kriebel die door me heen schiet, bij de gedachte aan hij en ik… O god, dit gaat echt te ver. Hetgeen ik met Sander van plan was - hoe fout het ook mag klinken - zag ik niet als vreemdgaan. Dit is echter hele andere koek.
'Heb je een kind?' Ik probeer de stilte te doorbreken en dit is het enige wat in mij opkomt, om aan hem te vragen. Ik moet gewoon iets doen om mezelf af te leiden van de schunnige gedachten die plots in mijn hoofd passeren.
Hij loopt terug richting het kookeiland, waar zijn halfvolle glas wodka nog steeds staat. Ik zie dat hij even knikt, als antwoord op mijn vraag, al duurt het wel even voordat hij die reactie geeft. Het lijkt bijna alsof hij er even over na moest denken.
'Hoe oud is hij?'
Zijn antwoord volgt snel. Razendsnel. Het is totaal niet wat ik verwachtte. 'Ik wil het niet over hem hebben.'
Deze reactie is - in mijn ogen - behoorlijk vreemd, want ik ken geen enkele ouder die het niet graag over zijn of haar kinderen wil hebben. Hij zit meteen weer in mijn irritatie-zone, door de norsheid van zijn toon, waardoor ik de kriebels die hij me net nog bezorgde vrij snel vergeten ben.
Ik vouw de handdoek uit elkaar en veeg over de achterkant van mijn rode jurkje. Het heeft niet heel veel zin, al voelt hel wel een klein beetje warmer aan, door de wrijving met de handdoek.
'Je moet je gegevens nog voor me opschrijven.' Hij haalt een notitieboekje en een pen uit een van de lades bij het aanrecht en legt vervolgens beide voorwerpen op het kookeiland. 'Je naam, telefoonnummer, verzekeringsmaatschappij, kenteken…'
Ik loop richting het kookeiland, terwijl ik nog steeds met de handdoek over de stof van mijn jurkje wrijf.
'Weet je zeker dat je geen droge kleren wil? Ik zou je graag uit die jurk helpen.'
Wat? Ik hoorde hem vast niet goed. Ik móet hem wel verkeerd verstaan hebben, dus ik besluit niet op die laatste woorden te reageren. Of misschien ook wel, mocht hij het alsnog gezegd hebben, wat ik dacht dat hij zei. ’Nee, dankje.’
Ik noteer mijn gegevens op het notitieboekje en schuif het vervolgens in zijn richting. 'Nina Wilson,' leest hij hardop.
'Ja.' Mijn stem is opeens zacht, omdat de manier waarop hij zojuist mijn naam uitsprak, wederom iets in mijn lichaam teweegbrengt. Ik krijg mijn ogen opeens ook niet meer los uit de zijne, totdat ik mijn telefoon tegen het aanrechtblad hoor trillen.
Hij is degene die zijn blik losrukt uit de mijne, om in de richting van mijn telefoon te kijken. 'Lars belt je,' zegt hij vervolgens doodnormaal, alsof hij weet wie Lars is, wat natuurlijk onmogelijk het geval kan zijn.
Shit, Lars belt me! Hij had me gevraagd om hem een bericht te sturen, zodra ik bij Marijke was. In theorie zou ik daar natuurlijk allang moeten zijn, dus hij is vast ongerust.
Ik snel richting mijn telefoon en neem zonder na te denken op. 'Sorry! Mijn telefoon was uitgevallen en ik moest hem eerst even opladen, dus ik ben hélemaal vergeten om je een berichtje te sturen!' gooi ik meteen eruit, nog voordat Lars iets kan zeggen.
'Oké, kan gebeuren. Ik wilde alleen maar even weten of je veilig bent aangekomen, in verband met het weer. Alles goed met Marijke?'
Ik onderdruk een zucht, want ik haat het om te moeten liegen. 'Ja, we zijn lekker aan het bijkletsen. Je krijgt de groetjes van d’r.' O god, wat voel ik me slecht.
'Gezellig. Doe de groetjes maar terug. Zorg dat je morgen op tijd terug bent, Nien.'
Hij gelooft me. Natuurlijk gelooft hij me. 'Ja, tot morgen.'
'Hou van je.'
Ik slik en knijp mijn ogen even dicht. 'Ik ook van jou.'
Wanneer het gesprek afgerond is en ik mijn telefoon weer op het aanrecht gelegd heb, zie ik dat Dean mij met een grijns aankijkt, die ik - wederom - niet goed kan peilen. 'Dus je hebt een vriend.'
Grijnst hij daarom zo? Ik knik, want dat is niet iets waar ik nu over wil liegen. Ik denk zelfs dat het beter is dat hij dat weet, zodat er niets gaat gebeuren tussen ons. Ik weet namelijk niet honderd procent zeker of ik mezelf kan beheersen, dus ik reken ook een beetje op hem en zijn integriteit, in de hoop dat hij het een andere man niet aan zal doen, om zijn vrouw af te nemen. Hij is er - in mijn geval - toe in staat, al vind ik het erg om dat toe te geven.
'Ja, ik eh…' Ik steek mijn linkerhand omhoog, zodat mijn trouwring in zijn zicht is. '… ben getrouwd.'
'En je liegt tegen hem.'
Ik vraag me heel kort af hoe hij dat weet, maar dan besef ik me wat ik zojuist tegen Lars gezegd heb in zijn bijzijn.
'Wat heb jij te verbergen, Nina Wilson?' Ik vind het vreemd dat hij mijn volledige naam noemt, maar de manier waarop hij naar me kijkt - en vooral wat het met me doet - vind ik nog veel vreemder. 'Waarom mag je man niet weten waar je bent?'
Ik slik, met mijn blik nog steeds volledig op de zijne gefixeerd. Ik voel me op een bepaalde manier in een hoekje gedreven. Het voelt alsof hij bijna achter mijn grootste geheim gekomen is, terwijl dat natuurlijk helemaal niet zo is. Hij heeft totaal geen vermoeden en er zijn duizenden manieren om me hier onderuit te praten. Ik hoef zelfs niet eens een antwoord te verzinnen, als ik daar geen zin in heb, want ik kan ook gewoon mijn mond houden. Ik ben hem helemaal niets verschuldigd.
Waarom ik vervolgens alsnog mijn mond open trek, is mij een groot raadsel. 'Ik stond op het punt om… ik had afgesproken, met iemand.'
'Met een andere man,' trekt hij zelf al als - correcte - conclusie. 'Ik weet niet waarom ik dacht dat jij een heilig boontje was.'
Ik ben in principe ook een heilig boontje, behalve dan wat dit betreft. Ik doe vrij weinig gekke dingen in mijn leven en dit staat echt wel ver - als grote uitschieter - bovenaan mijn lijstje.
'Heb je een affaire met iemand?'
Ik schud mijn hoofd en bijt op mijn lip. Ik moet nu voorzichtig zijn met wat ik ga vertellen, want ik ben absoluut niet van plan om al mijn geheimen prijs te geven, ook al voel ik een bizarre drang om me - zowel letterlijk als figuurlijk - bloot te geven aan deze onvriendelijke, maar op de een of andere manier intrigerende man.
'Je wilde gewoon seks.' Weer een conclusie, wederom juist, al is het waarschijnlijk niet juist op de manier die hij suggereert. Het ging mij namelijk niet om de seks, maar om hetgeen ik ermee zou bereiken. Dat gedeelte ben ik niet van plan om prijs te geven. 'Doe je dat wel vaker?'
'Nee.' Ik klink geshockeerd door zijn vraag, wat helemaal niet mijn bedoeling is. Ik geef hem veel te veel informatie. 'Dit zou de eerste keer zijn.'
'Dus je bent nieuwsgierig… naar iets anders.'
Helemaal niet. 'Ja.'
Hij humt even, vergezeld door een kort knikje. Vervolgens zet hij een paar stappen richting een keukenkastje, haalt er een glas uit en vult deze aan het kookeiland met wodka, evenals zijn eigen glas.
Hij houdt het gevulde glas voor mijn neus en ik twijfel. Ik weet niet eens waarom ik twijfel, want ik drink nooit. Ik houd niet van het controleverlies wat ik dan ervaar, maar op de een of andere manier voel ik nu wel de behoefte om de controle te verliezen. 'De wegenwacht komt voorlopig toch nog niet, dus je kunt wel één drankje nemen, toch?'
Eén drankje zal inderdaad geen kwaad kunnen. Ik heb vroeger wel vaker gedronken en het is niet zo dat ik meteen dronken word van één drankje.
Ik neem het glas - nog steeds licht twijfelend - aan en hij tikt het vervolgens aan met de rand van zijn eigen glas. 'Proost, Nina. Dat deze kutdag misschien nog een klein beetje beter mag worden.'
Ik vraag me af waarom het voor hem een kutdag is, maar ik vraag het niet. In plaats daarvan neem ik een slok van de wodka. Ik was vergeten hoe sterk deze drank is en kuch even, om het brandende gevoel in mijn keel te verlichten.
'Hopelijk ga je straks niet ook zo snel kokhalzen.'
Wat?!
Nog voordat ik op zijn bizarre uitspraak kan reageren, zet hij een stap in mijn richting en reikt hij in een soepele beweging met zijn hand richting mijn gezicht. Hij veegt met zijn duim langs mijn onderlip, waar hij wat restjes wodka van mijn lip afveegt, die ik zojuist geknoeid heb in mijn kleine hoestbui.
Ik kijk hem met grote ogen aan als hij zijn duim vervolgens naar zijn eigen mond brengt, tussen zijn lippen schuift en er even aan zuigt. Hij knijpt vervolgens zijn ijsblauwe ogen een beetje samen, terwijl hij onderzoekend naar mijn ogen kijkt. 'Draag je lenzen?'
Zijn vraag komt onverwachts, niet omdat ik hem niet vaker krijg - want ik krijg deze vraag voortdurend, al vragen mensen meestal of ik één lens vergeten ben - maar ik had hem niet op dit moment verwacht.
Ik heb heterochromia idirum, wat betekent dat mijn linkeroog - die donkerbruin is - een andere kleur heeft dan mijn rechteroog - die lichtgroen is - een vrij zeldzame aandoening, vooral met het grote kleurverschil zoals bij mijn ogen.
'Nee, ik heb twee verschillende kleuren ogen.'
Zijn mondhoeken krullen een beetje omhoog, terwijl zijn ogen op de mijne gericht blijven. Hij kijkt verwonderd, bijna volledig geobsedeerd, op een hele andere manier waarop mensen tot nu toe naar het kleurverschil in mijn ogen hebben gekeken.
'Alsof je twee verschillende kanten hebt.' Zijn blik blijft even hangen op mijn rechteroog, waarna hij zijn ogen fixeert op mijn linkeroog. 'Die linkse is de trouwe, lieve en rustige kant. Het brave meisje…' Hij laat het klinken alsof hij me al jaren kent, volledig overtuigd van zijn gelijk. Ik kan ook niet ontkennen dat het behoorlijk veel gelijkenis met mezelf heeft. 'En die andere…' Hij maakt zijn zin niet af, schudt slechts even zijn hoofd en loopt vervolgens weg, wat me ontzettend nieuwsgierig achterlaat, naar wat hij wilde zeggen.
'Wat?' weet ik met een schorre stem uit te brengen.
Hij draait zijn hoofd even en haalt zijn schouders omhoog. 'Daar komen we nog wel achter.'
Ik adem haperend, met kleine ademstootjes in, terwijl hij verder loopt en de keuken verlaat. Er stroomt iets door mijn lichaam, waarvan ik niet weet wat het is. Het voelt warm en tintelend en het is iets wat ik nog nooit eerder gevoeld heb in deze hoedanigheid.
Ik denk dat het opwinding is, al weet ik niet zeker of dit komt door mijn rammelende eierstokken - omdat ik me er nog steeds vlijmscherp bewust van ben dat ik momenteel op mijn meest vruchtbaarst ben - of door iets wat Dean in me opwekt.
Is dit anders, dan wanneer ik dit met Sander zou doen? Misschien zou ik me bij hem precies hetzelfde voelen, want misschien is dit gewoon mijn lichaam, die me voorbereid op de daad. Wellicht ervaar ik het nu allemaal anders, door de spanningen. Dat zou de kriebels in mijn buik zomaar kunnen verklaren. Het heeft niets met lust te maken, absoluut niet.
Ik inhaleer een diepe teug lucht en neem vervolgens een flinke slok wodka, deze keer gelukkig zonder te hoesten. Ik ijsbeer wat door de keuken, terwijl ik overweeg om dit daadwerkelijk te doen, wanneer mijn blik plotseling valt op een vierkant, wit met rood kaartje, dat op de grote, houten keukentafel ligt.
Het is me nog niet eerder opgevallen, al vermoed ik dat het al de hele tijd hier ligt. Wanneer ik er naartoe loop, zie ik dat het een rouwprentje is. Ik pak het in mijn hand en houd mijn adem in, wanneer het langzaam maar zeker duidelijk wordt, dat het een rouwprentje van een kind is.
Een kind dat slechts vijf jaar oud is geworden, met de naam Lennon. De overlijdensdatum is van bijna een week geleden en in de tekst die in het kaartje staat, is te lezen dat de begrafenis vandaag was.
O mijn god. Ik sla mijn hand voor mijn mond, terwijl het besef bij me binnenkomt, als ik de namen van de ouders van het overleden kind zie staan.
Dit verklaart Deans chagrijnige gedrag, de vreemde manier waarop hij op mijn vraag over zijn kind reageerde en de reden waarom hij even na moest denken toen ik hem vroeg of hij een kind had. Het verklaart waarom hij op de foto’s zo breed lacht en daar nu geen spoortje meer van zichtbaar is, op af en toe een kleine, geniepige grijns na. Er hangt een duisternis om hem heen, een somberheid, waarvan ik nu begrijp dat het een intens verdriet is. Ik begrijp nu waarom het een kutdag is.
Hij heeft vandaag zijn kind begraven.