Chapter Four

 

Ik schrik me dood, wanneer het kaartje plots - met een harde ruk - tussen mijn vingers vandaan getrokken wordt. Ik kijk meteen op, in twee lichtblauwe ogen, die op dit moment zilver lijken en een ijzige uitstraling hebben.
Ik was zo in de tekst op het kaartje verzonken, dat ik hem helemaal niet heb horen binnenkomen, laat staan dat ik in de gaten had dat hij alweer voor mijn neus stond. Maar dat staat hij dus wel, pál voor mijn neus, met een blik die me kippenvel bezorgt, in de slechtste zin van het woord.
Ik slik langzaam en probeer ondertussen te bedenken wat ik moet zeggen, maar mijn hoofd lijkt wel blanco. Het voelt alsof alles leeg is en geen enkele hersencel medewerking verleent, in het vinden van een oplossing, iets waarmee ik me uit deze situatie kan redden.
Hij zet een stap naar voren, waardoor hij op een vrij dreigende manier voor me staat en letterlijk op me neerkijkt. Mijn ogen bevinden zich ter hoogte van zijn borstkas en wanneer ik zo kalm mogelijk probeer in te ademen, inhaleer ik zijn geur, die me laat denken aan vers water en dennennaalden, met een kleine hint van muskus. Het is een bedwelmende mannelijke geur, die de hele tijd de neiging bij me opwekt om via mijn neus te inhaleren, om er meer van binnen te krijgen.
'Je bent onbeschoft.' Het is ergens wel grappig dat hij dat woord gebruikt om mij te omschrijven, aangezien ik hem al de hele tijd onbeschoft vind.
'Het spijt me.' Ik klink niet eens meer als mezelf, meer als een verlegen en onzekere versie van degene die ik ooit was. Het is alsof hij al mijn assertiviteit, zelfvertrouwen en kracht uit me wegzuigt en niets meer van me overlaat, dan een wanhopige, zwakke vrouw met knikkende knieën.
Los van de lustgevoelens - die zeer duidelijk aanwezig zijn en waar ik weinig weerstand tegen kan bieden - voel ik pijnlijke steken van medelijden door me heen schieten. Deze man heeft het meest afschuwelijke meegemaakt, wat een mens maar mee kan maken. Ik voel de pijn, het verdriet dat om hem heen hangt, alsof het een stukje van mezelf is.
Misschien zeg ik daarom ook wel het spijt me. Misschien is het meer een 'het spijt me dat je kind overleden is' of een 'het spijt me dat de wereld zo oneerlijk is', als een soort condoleance, voor al het verschrikkelijke wat hij heeft meegemaakt.
Ik voel teleurstelling - maar ook opluchting, omdat ik eindelijk weer normaal adem kan halen - wanneer hij een stap naar achteren zet en de minimale afstand, die net nog tussen onze lichamen hing, vergroot. Hij gooit het rouwprentje - dat hij zojuist uit mijn hand gerukt heeft - met een bepaalde oneerbiedigheid terug op de keukentafel, waardoor het doorschuift naar de andere kant van de tafel en er bijna vanaf dreigt te vallen.
'Ik zit echt niet op je medelijden te wachten,' snauwt hij in mijn richting, terwijl hij terug loopt richting het kookeiland, om meteen weer een flinke slok wodka achterover te gooien.
Ik voel me opeens teveel in deze ruimte, alsof ik hier helemaal niet hoor te zijn.  Deze man staat helemaal niet op mijn aanwezigheid te wachten. Waarschijnlijk had hij zich voorgenomen om vanavond stomdronken te worden, wat ik - in zijn situatie - heel goed kan begrijpen. In plaats daarvan zit hij nu met mij opgescheept, een veel te nieuwsgierig persoon, die ongevraagd in zijn persoonlijke spullen kijkt.
'Het spijt me,' zeg ik nog een keer en ik kan mezelf wel voor mijn kop slaan. Hij heeft net gezegd - of eigenlijk gesnauwd - dat hij niet op mijn medelijden zit te wachten en nu bied ik alwéér mijn excuses aan. 'Sorry, ik…' Ik val stil.
Hij gooit de resterende wodka in zijn glas achterover en veegt vervolgens met de mouw van zijn colbert langs zijn lippen. Hij zet zijn glas terug op het aanrecht en leunt met zijn achterste tegen de rand van het kookeiland, met zijn armen over elkaar geslagen en zijn blik op mij gericht, alsof hij geduldig afwacht tot ik mijn zin af ga maken.
'Ik weet niet wat ik moet zeggen,' zeg ik vervolgens zachtjes, terwijl ik voel dat mijn wangen lichtjes beginnen te gloeien. Misschien moet ik gewoon hier weggaan. Ik denk er zelfs even over na om Lars te bellen, met de vraag me hier op te komen halen. Het voelt verkeerd om hier te blijven.
'Je hoeft ook niets te zeggen. Kom hier.' Hij zegt het doodnormaal en staat daar ook met een bepaalde nonchalance, die doet vermoeden dat hij een simpel verzoek doet. De manier waarop hij naar me kijkt, verraadt echter waar hij op doelt.
Dit verzoek is alles behalve simpel.
Ik probeer te slikken, maar mijn keel is plotseling gortdroog en ik heb - gek genoeg - opeens ontzettend veel behoefte aan een slok wodka. Dat betekent echter dat ik in zijn richting moet lopen… en dat durf ik niet.
'Kom hier, Nina.' Hij strekt zijn hand naar me uit, maar ik blijf hem slechts aanstaren, plotseling doodsbang en vol twijfel. Wanneer hij geen reactie krijgt, zet hij een drietal stappen naar voren, zodat hij mijn hand vast kan pakken. 'Ik bijt niet,' grapt hij, terwijl hij me langzaam meetrekt in de richting van het kookeiland. 'Of, nou ja… Misschien wel, maar ik beloof je dat je het lekker gaat vinden.'
Ik lach ongemakkelijk en hoop maar dat hij een grapje maakt, want ik zou het erg vreemd vinden als hij mij daadwerkelijk gaat bijten. 'Ik weet niet of…'
'SST,' onderbreekt hij me meteen, met een plagend prikje van zijn wijsvinger in mijn zij. 'Jij wist niet wat je moest zeggen, dus je zou stil zijn. Weet je nog?'
Ik frons mijn wenkbrauwen en wil meteen beginnen te protesteren, want hij zei slechts dat ik niets hoefde te zeggen, maar ik heb niet ingestemd dat ik mijn mond zou houden. Mijn mond wordt echter weer gesnoerd, nog voordat ik een woord uit kan brengen. Deze keer niet door zijn woorden, maar door zijn hand, die hij helemaal onderaan op mijn rug plaatst - vlak boven mijn billen - wanneer we voor het kookeiland staan.
Ik sta meteen aan de grond genageld en lijk voor een kort moment gek te worden, door alle sensaties die zijn aanraking bij me opwekken. Mijn knieën worden week en mijn hersens lijken even kortsluiting te maken.
'Drinken?' Hij staat opeens wel erg dicht tegen me aan, met de voorkant van zijn lichaam, tegen de zijkant van het mijne gedrukt.
Ik krijg het niet voor elkaar om iets te zeggen, dus ik knik slechts op een erg gehaaste manier. Hij grijnst even, alsof hij zich volledig bewust is van wat hij met me doet en ervan geniet om me zo te zien worstelen met mijn eigen emoties.
Ik voel de warmte van zijn lichaam en zijn bonzende hartslag tegen mijn arm, wanneer hij rustig de tijd neemt om het glas opnieuw vol te schenken met wodka, dat hij vervolgens voor mijn neus omhoog houdt. Ik lijk wel niet meer na te kunnen denken, nu hij zo dicht tegen me aan staat. Het is zelfs zo erg, dat hij mijn hand omhoog moet tillen, om het glas van hem aan te nemen.
'Ben je een beetje nerveus?' fluistert hij zacht en zwoel in mijn oor, terwijl ik het glas naar mijn lippen breng en de ijskoude wodka tegen mijn tong voel.
De warmte van zijn adem zet mijn gevoelige huid in brand en ik verlang er opeens op een pijnlijke manier naar om zijn lippen tegen mijn huid te voelen.
Ik voel de hand op mijn rug langzaam naar beneden glijden, steeds meer richting mijn billen. Weliswaar over de stof van mijn jurkje, maar ik ben op dit moment zo gevoelig, dat het lijkt alsof zijn handen mijn blote huid aanraken.
'Geef eens antwoord.'
Had hij me een vraag gesteld? O ja, of ik nerveus was. Ik schraap mijn keel, maar besluit uiteindelijk slechts te knikken en zonder woorden te laten weten dat ik daadwerkelijk nerveus ben. Bloednerveus. Ik twijfel ook nog steeds of ik dit wel moet doen.
Nee, eigenlijk wéét ik dat ik dit helemaal niet moet doen, maar iets onbekends in mij heeft het op dit moment van me overgenomen. De voortdurende drang naar controle, het constant structureren van alles, zodat mijn leven op rolletjes verloopt… het lijkt opeens allemaal weg te zijn en er is alleen maar honger overgebleven. Honger naar meer, naar hem.
Ik voel zijn hand nog verder afzakken, over mijn billen heen, tot aan de zoom van mijn knalrode jurk. Vanaf dat punt schuift zijn hand niet meer naar beneden, maar beweegt hij terug omhoog. De stof van mijn jurkje neemt hij in diezelfde beweging mee, waardoor de bovenkant van mijn netkousen en de onderkant van mijn billen ontbloot worden. Zijn vingertoppen raken nu daadwerkelijk mijn blote huid en het voelt sensationeel.
O fuck. Mijn ogen worden meteen groter - paniekerig - en ik draai automatisch in een vlugge beweging mijn hoofd opzij, zodat mijn ogen de zijne vinden, alsof ik op zoek ben naar geruststelling.
Die krijg ik ook, wanneer hij zijn hand doodstil houdt en vraagt: ’Wil je dat ik stop?'
Gek genoeg wil ik niets liever dan dat hij verder gaat, ook al weet ik dat ik nu ontzettend verkeerd bezig ben. Dit is vreemdgaan, misschien met het uiteindelijke gevolg dat ik door hem bevrucht word, maar daar ben ik op dit moment helemaal niet mee bezig. Met beiden niet, want ik kan alleen maar denken aan het tintelende en kloppende gevoel tussen mijn benen, dat me langzaamaan tot waanzin drijft.
'Mooi zo.' Hij zet een stap opzij, waardoor hij vlak achter me - tegen mijn rug - staat. Hij pakt mijn handen vast en plaatst ze vlak voor me, op het blad van het kookeiland. Zijn hoofd leunt over mijn rechterschouder en bevindt zich vlak naast mijn gezicht. 'Blijf staan.'
Al zou ik me willen bewegen, ik ben bang dat het niet eens lukt. Ik sta stijf van de spanning, maar nog steeds komt het geen enkel moment in me op om hem een halt toe te roepen.
Ik voel zowel zijn linker- als zijn rechterhand op mijn heupen, aan beide kanten, rond de zoom van mijn jurk. Hij schuift ze langzaam omhoog, waarbij hij de stof van mijn jurk meeneemt en steeds meer van mijn huid onthult. Zijn vingers laten een brandend spoor van verlangen achter op mijn bovenbenen, mijn heupen, mijn billen… O god, ik kan mezelf amper beheersen om niet in een draaiende beweging met mijn heupen naar achteren te bewegen, om dit proces wanhopig te versnellen.
Wanneer ik zijn lichaam los voel komen van het mijne - omdat hij een stap naar achteren zet - slaat de paniek plotseling even toe. Ik voel me opeens ongemakkelijk, omdat ik voel dat hij me bekijkt, op een manier die ik helemaal niet gewend ben. Enerzijds opwindend, maar vooral erg beangstigend, omdat ik niet weet hoe ik er mee om moet gaan.
'Misschien kan ik beter… AU!' Ik schrik me dood, wanneer hij plots mijn lange, bruine haren vastgrijpt en mijn hoofd een stuk naar achteren trekt. Het doet niet daadwerkelijk pijn, maar ik kan ook niet zeggen dat ik het fijn vind. Ik vind het vooral erg vreemd en een klein beetje beangstigend.
'Jij zou je mond dichthouden,' fluistert hij met zijn mond vlak naast mijn gezicht. Ik durf amper adem te halen. 'Je wilde toch iets anders?'
Mijn hoofd knikt al, voordat ik me besef wat hij gevraagd heeft. Het voelt alsof er geen ruimte is om na te denken nu, want het lijkt alsof mijn lichaam blindelings wil doen wat hij van me vraagt.
'Ben je wel eens door iemand anders aangeraakt dan je man?' Hij laat mijn haren langzaam los, maar ik durf mijn hoofd niet van positie te verwisselen. Zijn hand verplaatst zicht richting de voorzijde van mijn hals en zijn andere hand voel ik weer op mijn heup, waar de zoom van mijn jurkje zich nog steeds bevindt. 'Geef antwoord, Nina.'
Ik weet niet zo goed hoe ik zijn vraag moet beantwoorden. Waarschijnlijk is dat ook de reden waarom ik veel meer zeg, dan ik zou moeten zeggen. 'Hij raakt me helemaal niet aan.'
Ik had mijn hoofd kunnen schudden, dan had ik niet eens gelogen. Ik had ook gewoon kunnen knikken, om mezelf niet zo voor paal te zetten. Helaas kwamen die opties niet in mij op.
Zijn neus en mond bevinden zich vlakbij mijn oor, waardoor ik hoor dat hij zachtjes gniffelt. 'Dit gaat nog een leuke nacht worden.'