Chapter Eight

 

Ik wikkel het laken als een gigantische - en onhandige - jurk om mijn lichaam en stap zo snel mogelijk uit het bed, wat ik geen seconde langer aan wil raken. Het liefste zou ik dit laken ook niet aan willen raken, maar het alternatief is naakt door dit huis lopen… en dat zie ik ook niet echt zitten.
Ik verlaat de slaapkamer en strompel - wat niet heel gemakkelijk gaat met een laken van twee bij twee om mijn lichaam gewikkeld - richting de hal, terwijl er verschillende vragen door mijn hoofd schieten.
Hoe kom ik hier zo snel mogelijk weg?
Kan ik nog in mijn gehavende auto rijden?
Is het wel verstandig om nu naar beneden te lopen, als Dean met zijn vrouw in gesprek is?
Wat doe ik als zijn vrouw opeens naar boven komt?
Wil ik haar wel onder ogen komen?
Nog voordat ik na kan denken over de antwoorden op alle vragen in mijn hoofd, word ik afgeleid door de stem van Deans vrouw, die behoorlijk hard door het huis galmt. Het is absoluut niet zo dat ik opzettelijk hun gesprek af wil luisteren, maar op deze manier gebeurt het vanzelf.
Ik blijf boven aan de brede, eikenhouten trap staan - om het hoekje, zodat ik niet per ongeluk in hun gezichtsveld kom - en houd mijn adem in, om het gesprek beneden nog wat beter te horen.
'… omdat íedereen dacht dat je door ging draaien! Blijkbaar is dat ook gebeurd, want kijk wat voor een puinhoop je ervan maakt! Wat is er in godsnaam met de woonkamer gebeurd?'
O shit. Ik heb die arme vrouw haar woonkamer overhoop gegooid, op wat waarschijnlijk een van de moeilijkste dagen van haar leven is. Misschien is dit het begin van mijn verdoemenis en ben ik nu een soort duivel geworden, die overal ongeluk en verderf rondstrooit.
'En wat de fuck doet die jurk daar? Heb je serieus een hoer besteld, of wat?'
Een hoer?!
Ik voel zeker nog steeds ontzettend veel medelijden met deze vrouw, maar ik ben absoluut niet blij met het feit dat ze suggereert dat ik een hoer ben. Ik weet dat ik het haar - gezien de omstandigheden - helemaal niet kwalijk kan nemen - maar ik ben alsnog zwaar beledigd.
'Hoezo door ging draaien?' hoor ik Dean op een vrij harde toon terugsnauwen. Hij klinkt echt woedend. 'Wie is hier nou doorgedraaid, Lauren?! Jij komt hier opeens binnenvallen, alsof je daar ook maar enig recht toe hebt!'
Ik begrijp er echt helemaal niets van en het wordt alleen maar verwarrender, wanneer ik opeens een derde stem hoor. Een mannenstem. 'Kunnen we allemaal even normaal praten? We wilden alleen weten of alles in orde was.'
'Jij moet al helemaal je bek dicht houden!' hoor ik Dean weer snauwen. Zijn toon is nog steeds alles behalve normaal en het klinkt bijna alsof er elk moment een gigantische vechtpartij kan ontstaan, voor zover ik dat kan concluderen op basis van wat ik hoor. 'En ik praat hoe ik wil. Dit is godverdomme míjn huis.'
Ik houd er absoluut niet van als iemand vloekt in de naam van God, want ik heb altijd geleerd dat dat niet mag. Ik weet niet zo goed waarom ik teleurstelling voel dat Dean die normen en waarden blijkbaar niet heeft.
Er valt een stilte en ik kan mijn nieuwsgierigheid niet bedwingen, dus ik steek voorzichtig mijn hoofd een klein stukje om de hoek, zodat ik via de eikenhouten trap een blik op de entreehal kan werpen.
Ik zie twee personen staan, een man en een vrouw. Ik ga er vanuit dat de vrouw Lauren is, maar ik heb geen idee wie de man is. Ik zie dat ze elkaar even aankijken en dat Lauren haar schouders ophaalt, met haar ogen rolt en diep zucht.
Ze is knap, maar dat is niet zo verrassend, aangezien ik me niet kon voorstellen dat iemand met het uiterlijk van Dean een lelijke vrouw zou hebben. Ze heeft asblond haar dat tot net over haar schouders valt en draagt een lange, lichtbeige winterjas, met een strakke riem rondom haar slanke taille.
'Zullen we gaan?' hoor ik de man zachtjes aan haar vragen.
'Ik kan toch niet…' Ze slaakt een diepe zucht en werpt vervolgens een blik richting de doorgang naar de grote leefkeuken. 'Colin, je ziet toch zelf ook wel dat het écht niet goed met hem gaat?' fluistert ze.
De onbekende man heet dus Colin, al heb ik nog geen idee wat zijn rol in dit geheel is.
Eigenlijk gaat het me ook allemaal niets aan. Ik ben niets meer of minder dan een indringer in dit huis en ik zou hier helemaal niet moeten zijn. Toch mis ik de spreekwoordelijke ballen om nu naar beneden te lopen en te vertrekken, omdat ik hun dan zal moeten passeren — met slechts een laken om me heen gewikkeld.
'Hij is een volwassen kerel, Lau. Hij redt zich wel, dus laten we…' De man - Colin - wil haar elleboog vastpakken, maar ze trekt haar arm weg, voordat hij haar kan bereiken.
Er wordt een blik uitgewisseld tussen beiden, die nog kouder is dan de vrieskou die momenteel op het land neer is gestreken. Vooral Laurens blik is ijskoud en ik zie nu pas dat ze net als Dean blauwe ogen heeft, al zijn de hare een tikkeltje donkerder.
'Ik. Kan. Dit. Niet,' snauwt ze in zijn richting, terwijl hun blikken in elkaar gehaakt blijven.
'Wat betekent dat?' Hij geeft haar een knikje wat net zo minachtend is als zijn toon. 'Het is een beetje laat om je nu nog te bedenken, dus waag het je niet om…'
'Ach, hou toch op,' onderbreekt ze hem, vergezeld met een verwaande zwaai met haar hand. Ze loopt vervolgens richting de keuken en ik ga er vanuit dat Dean daar ook is, vermoedelijk met een glas wodka in zijn hand.
De man blijft alleen achter in de hal en ijsbeert even heen en weer, waarna hij zijn blik plots naar boven richt en mij recht in mijn ogen aankijkt. Zijn ogen hebben iets duisters - en dat komt niet alleen doordat ze donker van kleur zijn - en bezorgen me een rilling van mijn tenen tot aan mijn kruin.
Ik zet zo snel mogelijk een stap naar achteren en duw mijn rug tegen de muur, maar ik ben er vrijwel zeker van dat hij me gezien heeft. Shit, nu voel ik me al helemáál een indringer… en een afluisteraar.
Ik merk dat mijn hartslag opeens tekeer gaat, alsof ik een inbreker ben die zojuist betrapt is geworden. Ik durf me ook helemaal niet meer te bewegen - bang dat ik een geluid maak - dus ik blijf roerloos op dezelfde plek staan.
Voor de zoveelste keer vanavond vraag ik me af hoe ik in godsnaam in deze situatie terecht ben gekomen.
Er gaan minuten voorbij - al voelt het aan als veel langer - waarin ik helemaal niets meer hoor, behalve mijn hartslag die luid tegen mijn trommelvliezen aanbonst. Vervolgens hoor ik voetstappen, gevolgd door een harde knal van de voordeur die dichtgeslagen wordt.
Ik krimp van schrik in elkaar en knijp mijn ogen dicht, wanneer ik meteen daarna nog een knal hoor, overduidelijk van glas dat kapot klettert tegen de vloer. Ik vermoed dat dat geluid afkomstig is vanuit de keuken, waar Dean zich nog steeds bevindt.
Waarschijnlijk kan ik nu het beste stilletjes verdwijnen, hopen dat mijn auto alsnog in staat is om mij hier vandaan te rijden en deze nacht zo snel mogelijk proberen te vergeten. Wat hier ook allemaal aan de hand is: het gaat mij niets aan, ik ben er geen onderdeel van en het zou verstandig zijn als ik mezelf er ook geen onderdeel van maak.
Toch kan ik het niet over mijn hart verkrijgen om zomaar weg te gaan en Dean hier voor mijn gevoel alleen achter te laten. Hij mag dan zojuist naar me benoemd hebben dat zijn vrouw er was, maar volgens mij is Lauren helemaal niet meer de zijne. Ik denk dat ze een relatie heeft met die Colin.
Ik loop daarom naar beneden - met het laken nog steeds om mijn lichaam gewikkeld - en blijf staan in de doorgang naar de grote leefkeuken. 'Dean?' roep ik zachtjes, wanneer ik helemaal niemand in de ruimte zie.
Er klinkt bijna onhoorbaar een soort hum vanachter het kookeiland. Ik besluit erheen te lopen, maar kijk ondertussen wel zorgvuldig om me heen, aangezien me al was opgevallen dat er hier en daar glasscherven over de vloer verspreid liggen.
Wanneer ik hem onderuitgezakt op de grond aantref - met de fles wodka in zijn hand - wil ik bijna vragen of alles goed gaat, maar ik besef gelukkig snel genoeg dat het de meest domme vraag is die ik kan stellen. Het is overduidelijk dat het niet goed gaat.
Aangezien ik geen idee heb wat ik anders moet zeggen of vragen, ga ik zwijgend naast hem op de grond zitten. Misschien heeft hij daar helemaal geen behoefte aan, maar het lijkt me het juiste om te doen, al heb ik geen idee waarom.
Gek genoeg voelt het totaal niet ongemakkelijk om hier zwijgend te zitten, terwijl hij zowat de hele fles wodka in zijn eentje verorberd. Het is wel behoorlijk pijnlijk, omdat ik niet goed weet hoe ik hem kan helpen op dit moment, maar het wel graag zou willen.
'Ze is er met mijn broertje vandoor gegaan,' zegt hij opeens, na een stilte die misschien wel een half uur duurde. 'Of eigenlijk… is hij er met haar vandoor gegaan.'
Colin is zijn broer?
Ik zag geen enkele gelijkenis tussen die twee, aangezien Colins kapsel bijna zwart, beginnend kalend en stijl was en hij zeker twintig centimeter kleiner oogde dan Dean. Het wordt echter enigszins verklaard wanneer Dean erbij verteld dat het zijn halfbroer is.
'Mijn vader vertelde een jaar geleden op zijn sterfbed opeens dat hij helemaal niet zijn zoon was. Hij heeft alles aan mij nagelaten en Colin kreeg helemaal niks. Sindsdien haat hij me en is hij erop uit om mijn leven tot een hel te maken.'
Deze beknopte, maar allesomvattende, samenvatting zorgt ervoor dat ik de gebeurtenissen van zojuist - maar vooral Deans gedrag - wat beter kan plaatsen.
'Dat moet je niet laten gebeuren,' antwoord ik, al realiseer ik me ook dat Colin waarschijnlijk al aardig op weg is, aangezien hij zijn vrouw al heeft ingepikt. 'En zij is je niet waard als ze zich zomaar door hem in laat pikken.'
Voor het eerst sinds ik naast hem plaats heb genomen, kijkt hij naar me. Het is geen fijne blik en de opmerking die volgt is net zo onprettig. 'Dat moet jij nodig zeggen.'
Zijn opmerking is behoorlijk bot, maar daardoor niet minder waar. 'Je hebt gelijk. Ik heb geen recht van spreken,' zeg ik daarom maar. 'Als je wil dat ik wegga, dan bel ik wel een taxi.' Of desnoods Lars. Het kan me op dit moment vrij weinig schelen, want ik wil Dean gewoonweg niet lastigvallen met mijn aanwezigheid.
Hij negeert mijn voorstel - en mij overigens ook, want hij kijkt me inmiddels alweer niet meer aan -  al had ik liever dat hij me weg had gestuurd. Vooral wanneer hij de volgende woorden uitspreekt. 'Ze is zwanger.'
Waarschijnlijk beeld ik me dit maar in, maar soms voelt het alsof iedereen op de wereld zwanger raakt, behalve ik. Elke keer vind ik het pijnlijk om zoiets te horen, zelfs wanneer het dus iemand betreft die ik helemaal niet ken.
'Het ene kind is amper begraven en de nieuwe is al onderweg. Zo gemakkelijk gaat dat blijkbaar.'
Shit. Dit wordt met de seconde heftiger, intenser en pijnlijker. Het klinkt alsof Dean dit ervaart alsof ze hun kind vervangt en ook al kan ik me niet indenken dat dat daadwerkelijk het geval is, ik kan me voorstellen dat het voor hem zo voelt.
Ik wil zeggen dat het me spijt, maar ik denk niet dat hij op mijn medelijden zit te wachten. Ik vind het echter lastig om helemaal mijn mond te houden, dus daarom zeg ik het eerste dat in mij opkomt. 'Colin heeft me net gezien. Ik eh… stond boven aan de trap, want ik wilde eigenlijk weggaan toen ik hoorde dat je vrouw hier was.'
'Ik moet haar niet meer zo noemen.' Hij negeert de rest van mijn opmerking. 'We zijn nog niet officieel gescheiden, maar ze woont hier al een hele tijd niet meer.'
Jeetje. Ik weet niet zo goed hoe ik hier op moet reageren.
'Ik moet je wat bekennen, Nina,' zegt hij opeens, nog steeds zonder me aan te kijken. Hij gooit het laatste restje wodka uit de fles achterover en smijt de fles vervolgens zo hard naast hem op de grond, dat ik even bang ben dat ook dat glas zal sneuvelen. Gelukkig gebeurt dat niet. 'Ik heb tegen je gelogen, want ik heb de wegenwacht helemaal niet gebeld.'
Wat?!
Dit is echt heel vreemd, want ik stond er zelf bij toen hij met de wegenwacht belde. Of… zogenaamd belde. Ik weet niet zo goed wat ik hiervan moet denken. ’Waarom deed je dan alsof?’
'Ik wilde je gewoon neuken,' antwoordt hij doodnormaal. Misschien ben ik inmiddels al een beetje aan zijn taalgebruik gewend geraakt, want ik ben niet meer zo geshockeerd als eerder vanavond. 'Ik dacht dat het me afleiding kon bieden. Het spijt me dat ik je daarom in deze shit terecht heb gebracht.'
Waarschijnlijk zou ik nu boosheid, belediging of misschien zelfs angst moeten voelen… maar ik voel niets wat daarop lijkt. Ik voel alleen maar medelijden, met deze man wiens leven daadwerkelijk een hel lijkt te zijn.
'Je hoeft geen spijt te hebben.' Ik krabbel overeind en steek mijn hand vervolgens naar hem uit. 'Kom.'
Hij draait zijn hoofd een klein beetje en kijkt verward naar mijn hand. 'Kom?' herhaalt hij op een vragende toon.
'Ja…' Ik blijf vastberaden staan, met mijn hand voor zijn neus. Ik weet nu - of althans: dat hoop ik - hoe ik hem enigszins kan helpen. 'Of wil je me niet meer?'
Hij lijkt nog steeds te twijfelen, dus ik voeg er aan toe: 'Je mag een condoom gebruiken.'
'Ik dacht dat je allergisch was voor latex.'
Op dit moment zou ik het hem niet eens aan willen doen, om me stiekem door hem te laten bevruchten. Deze man heeft zo veel meegemaakt… en het laatste wat hij kan gebruiken is dat er straks een kind van hem rondloopt, waar hij niets vanaf weet.
Gek genoeg neemt mijn verlangen naar hem daardoor niet af. Ik wil hem nog steeds en daarnaast wil ik hem helpen, door hem af te leiden van alle ellende die zich in zijn leven afspeelt.
'Ja, nou... jij bent niet de enige die gelogen heeft.'