Chapter Two

Lees snel verder in het tweede hoofdstuk van 'Niemand is zomaar aardig'

 

Mijn ogen worden groot en mijn handen beginnen te trillen. Ik zie de donkere blik in zijn groene ogen en zijn borstkas die versneld op en neer beweegt. Zijn kaken zijn op elkaar geklemd en zijn vuisten gebald.
Ik heb hem boos gemaakt.
'Zit je stiekem te zuipen?' Mijn bovenarm wordt vastgegrepen en hij knijpt er hard in. Ik voel mijn huid onder zijn greep blauw worden, maar ik vertrek geen spier. 'Je weet godverdomme dat je niet mag drinken!'
Ik kijk hem smekend aan en zeg waarschijnlijk het domste wat ik maar kan zeggen: ’Ik was helemaal niet aan het drinken!’
Hij trekt me meteen, met een harde ruk, dichter naar zich toe. Hij snuift, vlakbij mijn gezicht. 'Je stinkt naar gin, vuile leugenaar. Denk je dat ik achterlijk ben of zo? Hm, denk je dat? Dat ik zo dom ben, dat jíj me voor de gek kunt houden?' 
Hij lacht minachtend en schudt zijn hoofd, terwijl hij mijn bovenarm nog steeds fijnknijpt.
'Ach Roosje toch… dom, naïef Roosje…' Zijn blik wordt opeens strak en hij houdt zijn gezicht vlak voor de mijne. Ik voel zijn hete, naar bier stinkende adem tegen mijn gezicht.
'Je gaat NU naar huis. En snel.'
Ja. Ik ga naar huis. Dat vind ik nog niet zo erg. Daar kan ik prima mee leven.
Mijn hoofd maakt een snelle, knikkende beweging. 
Hij geeft me een duw en laat me daarbij los, waardoor ik even wankel op mijn hoge hakken en bijna achterover val. Ik krijg nog een klein, minachtend lachje van hem en dan draait hij zich om. Ik blijf even trillend op mijn plek staan, als hij bij me vandaan loopt.
Ik haal diep adem en begin dan richting de ingang van de kroeg te lopen. Ik ga gewoon naar huis en hopelijk is Dennis straks niet te dronken als hij thuis komt, of misschien blijft hij zelfs bij een vriend slapen. 
Ja, laten we daar op hopen…
Zodra ik buiten kom, koelt de frisse avondlucht mijn blote armen meteen behoorlijk af, waardoor er kippenvel op ontstaat. Ik wrijf er even overheen met mijn handen en wil beginnen te lopen.
'Hij moet zich schamen…' hoor ik opeens achter me.
Ik herken zijn stem en ik herken de lichamelijke reactie die het weer bij me teweeg brengt. Mijn nekharen schieten meteen weer overeind. Niet door kippenvel van de kou, maar vanwege zijn aanwezigheid en zijn stem.
Ik draai me langzaam om, in de richting waar zijn stem vandaan kwam. Nu hij hier opeens voor me staat, slechts zichtbaar in het zwakke licht van een lantaarnpaal aan de overkant van de straat, maakt hij nog meer indruk op me.
Hij is groot. Veel groter dan ik en ook een stuk groter dan Dennis. Hij overschaduwt me letterlijk, als hij een stap dichterbij zet. Zijn ogen zijn lichtjes samengeknepen, terwijl hij mijn gezicht nauwkeurig bestudeert, alsof hij op zoek is naar iets.
'Ik breng je wel naar huis,' zegt hij uiteindelijk, terwijl hij me nog steeds onderzoekend bekijkt.
Ik frons mijn wenkbrauwen. 'W-wat?' stamel ik verward.
Ik heb hem vast niet goed verstaan.
'Je hoort niet alleen over straat te gaan.'
Ik geef hem een klein, scheef lachje. 'O… Ik red me wel…'
Ik kan beter niet met hem praten. Als Dennis nu terug naar buiten komt, heb ik echt een gigantisch probleem. Hij mag dan misschien wel de hele avond met die blonde vrouw staan praten, van mij wordt het al niet getolereerd als ik maar naar een andere man kijk. Dennis zijn jaloezie - of zoals hij het zegt: mijn flirterige gedrag - is de aanleiding van de meeste ruzies.
En toch sta ik hier weer zowat te kwijlen.
'Ik moet gaan…'
Waarom zeg ik dit eigenlijk? Waarom loop ik niet gewoon weg?
'Je staat hier nog steeds…' antwoordt hij op een kalme toon.
Komt hij nou dichterbij of beeld ik me dat in?
Shit. Ik moet echt weg hier.
Ik draai me vlug om en begin te lopen, zo snel als ik kan op mijn hoge hakken.
Ik probeer zelfverzekerd door de straten te lopen, in de hoop dat mensen uit mijn buurt blijven. Ik wil mezelf niet ten prooi gooien als een of ander gemakkelijk slachtoffer. Ik ben al kwetsbaar genoeg, nu ik in mijn eentje in het donker over straat moet.
Ik hoor opeens iemand fluiten en bid in stilte dat het daar bij blijft.
'Hey, lekkerding!' hoor ik iemand roepen, maar ik negeer het en blijf strak voor me uit kijken. Meestal helpt het om het gewoon te negeren en dan stoppen ze vanzelf.
'Doe niet zo arrogant!' volgt er.
Ook dat ben ik gewend. Blijkbaar vinden mannen het arrogant, als je niet vol interesse op hun apengedrag ingaat. Als ik er wel elke keer op in zou gaan, zou ik een slet zijn. Dus ik kies liever voor arrogant.
Ik voel dat er opeens dat er, achter me, iemand aan mijn haren zit. Ik blijf even staan en draai boos mijn hoofd om. Ik sla de hand van de onbekende man, die denkt dat het oké is om mij zomaar aan te raken, met mijn eigen hand weg.
'Ah, doe niet zo. Je ziet er zo lief uit, die bitchface past niet bij je…'
'Fuck you!' snauw ik en ik loop snel verder.
Ik voel een hand op mijn billen en ik hoor een irritant lachje. 
'Blijf van me af!' snauw ik weer en ik versnel mijn pas. Stilstaan gaat me nu waarschijnlijk alleen maar in de problemen brengen. 'En laat me met rust!' krijs ik er nog achteraan.
Ik hoor nog wat gelach en gefluit, maar ik voel tegelijkertijd ook dat er niemand meer in mijn nek zit te hijgen. Die engerd van net is in ieder geval verdwenen.
Ik hoor dat alle geluiden achter me langzaam beginnen te vervagen. Ik loop door nog een paar straten heen en begin de drukte van de stad steeds meer achter me te laten. Uiteindelijk loop ik helemaal alleen door een verlaten donkere straat en ik voel me alles behalve op mijn gemak.
Ik schrik even als ik een geluid achter me hoor, maar als ik me omdraai zie ik - godzijdank - niets. Ik loop weer verder en sla de hoek om.
Een paar meter voor me staat een gedaante, in het donker, in het midden van de stoep.
Ik krijg meteen een vreemd gevoel in mijn onderbuik en wil me omdraaien. Ik loop liever via een omweg naar huis, dan dat ik daar langs loop.
Wanneer ik me omdraai, wordt het er echter niet beter op. Er staat nog een gedaante, vlak voor mijn neus. Het is zo donker, dat ik geen gezicht kan zien. Ik zie alleen de omtrek van een donkere capuchon, die een gezicht overschaduwt.
Als de wind even mijn kant op blaast, komt de geur van wiet mijn neus binnen.
Ik draai me weer om en zie dat de andere gedaante nu dichterbij komt.
Fuck. Wat moet ik nou doen?
Ik kan een poging doen om te vluchten… al denk ik niet dat ik ver kom als ze me insluiten.
Ik kan proberen te vechten… maar ik ga het nooit winnen van deze twee mannen.
Aangezien bovenstaande beiden geen opties zijn, gaat mijn brein over naar de derde en laatste oerrespons die over is: ik bevries.
'Ah, we gaan je geen pijn doen hoor, schatje…' hoor ik de man voor mijn neus zeggen, op een toon die me de stuipen op het lijf jaagt.
Ik hoor de man achter me lachen, alsof hij de duivel zelf is. 'Nee joh, we gaan héél lief voor jou zijn…' 
Ik voel hoe er aan mijn haren gefriemeld wordt. Ik reageer echter niet… Ik reageer even helemaal nergens meer op. 
Ik word aan mijn haren getrokken, waardoor ik naar achteren val. Het gebeurt snel en bezorgt me een snijdende pijn in mijn hoofd. Maar het is geen onbekende pijn.
Ik kan dit aan.
Mijn knie schaaft langs het asfalt en ik krimp even in elkaar van de pijn, die mijn opengescheurde huid me bezorgt. Ik houd mijn lippen echter stijf op elkaar geklemd, ik geef geen kik. Dan is dit waarschijnlijk allemaal snel weer voorbij.
Ik hoor de stof van mijn jurkje scheuren. Ik heb geen idee waar het precies scheurt, maar ik begin in gedachte te bidden dat ze me alsjeblieft niet zullen verkrachten.
O God, nee...

 


«   »

Reactie plaatsen

Reacties

Er zijn geen reacties geplaatst.