Chapter Three

Lees snel verder in het derde hoofdstuk van 'Niemand is zomaar aardig'

 

Mijn haren worden opeens losgelaten en ik voel heel even geen vreemde handen meer op mijn lichaam.
Ik ben los.
Mijn automatische reactie komt meteen door. Ik krimp in elkaar op het asfalt, in een soort foetushouding, en sla mijn armen om mijn hoofd heen. Ik probeer mezelf mentaal en fysiek te beschermen nu. In gedachten droom ik over een fijne plek.
Ik word weer even terug naar het hier en nu gehaald als ik twee handen op mijn schouders voel. Ze voelen warm en zacht en raken me niet zo hardhandig aan als de handen die net aan mijn lichaam zaten.
Het verwart me even, want ik had deze aanraking niet verwacht. Mijn lichaam bereidde zich voor op meer pijn en niet op een zachte streling.
Toch krimp ik weer in elkaar, want de handen knijpen in mijn schouders en raken daarmee de gevoelige huid, bij de bloeduitstorting op mijn linkerschouder.
'Gaat het?' Het is alweer die stem. Mijn nekharen staan meteen weer overeind.
Mijn hoofd schiet omhoog en ik kijk recht in de donkere zee met kleine, groene lichtpuntjes.
'Huh?' Ik kijk om me heen en zie niemand anders meer.
Waar zijn die twee gedaantes nou opeens heen?
Dan kijk ik hem weer aan. Hij zit op zijn hurken, vlak voor me. Zijn handen nog steeds op mijn schouders. Ik ruik een frisse, houtachtige geur en een vleugje whisky. De wietlucht die ik net rook is verdwenen.
'Gaat het?' vraagt hij weer.
Ik knik, ook al gaat het helemaal niet zo goed.  De adrenaline begint mijn lichaam langzaam te verlaten en er komt pijn voor in de plaats.
'Je hebt een bloedneus…'
Fuck! Ik veeg snel met de rug van mijn hand langs mijn neus en zie meteen dat mijn hele hand vol met bloed zit. 
Shit… ik zie er toch niet uit alsof ik uit een scène van een horrorfilm ben gelopen?
'Kom, dan pak ik een zakdoek voor je…' Hij komt overeind en blijft voor me staan, met zijn hand naar me uit gestrekt. Ik moet het eigenlijk niet doen, maar toch leg ik mijn hand in zijn hand en laat me door hem overeind trekken.
Als ik weer op mijn benen sta, laat ik meteen zijn hand weer los. Met mijn duim en wijsvinger knijp ik mijn neus dicht en probeer zo veel mogelijk bloedresten van mijn gezicht te verwijderen. 
Hij legt zijn hand op mijn elleboog en ik kijk hem meteen verbaast aan. 'Rustig maar, ik doe je niks…'
Ik vraag me af waarom ik me vervolgens door hem naar een voordeur laat leiden. Ik lijk wel gek, dat ik ogenschijnlijk van plan ben om met een vreemde mee naar binnen te gaan.
Hij opent een voordeur met een sleutel en we komen in een kleine hal uit met drie deuren. Hij leidt me door de gang heen en we gaan uiteindelijk door de laatste deur naar binnen.
Ik ben een beetje verbaasd als we in een klein appartement uitkomen. Het lijkt wel een soort studio, waar studenten in wonen.
Het ziet er wel netjes uit, met een schoon, opgemaakt tweepersoonsbed met witte lakens, een vierkante, glazen eettafel met vier stoelen, een houten kledingkast en klein keukenblokje met witte, eikenhouten kastjes. Verder ziet de woning er vrij kaal en onpersoonlijk uit.
Is dit zijn woning?
'Ga even zitten.' Hij wijst naar een van de vier stoelen, die aan de glazen tafel staan. 'Je knie bloedt ook.'
Ik kijk naar mijn knie en zie een flinke schaafwond. Een paar straaltjes bloed lopen over mijn scheenbeen naar beneden.
Ik zet een paar stappen richting de tafel en laat mezelf op een van de stoelen zakken. Ik zie dat hij iets uit een keukenkastje haalt en vervolgens komt hij met een theedoek op me af gelopen. 'Voor je neus…' 
Ik pak de doek van hem aan en vervang de knijpende vingers tegen mijn neus door de theedoek. 
Hij hurkt voor me neer en ik voel opeens zijn hand tegen mijn blote knie. Het veroorzaakt meteen een gloeiend en tintelend gevoel, dat richting al mijn zenuwuiteinden stroomt. Mijn hele lichaam siddert, alleen maar door de kleine aanraking van zijn huid tegen de mijne.
'Ontspan…'
Ik kan me niet ontspannen. Ik weet niet eens waarom, maar al mijn spieren zijn op dit moment aangespannen. Ik denk dat mijn lichaam zich onbewust probeert te verzetten tegen het gevoel dat hij bij me teweeg brengt.
Zijn hand verplaatst zich naar mijn knieholte en hij trekt mijn been een beetje naar voren. Ik voel iets kouds tegen mijn knie, waar ik heel even van schrik en waardoor ik mijn been even probeer terug te trekken. De hand in mijn knieholte houdt mijn been echter gemakkelijk op zijn plek.
'Ah fuck!' schreeuw ik als ik opeens een prikkende en stekende pijn in mijn knie voel.
Hij heeft - zonder enige waarschuwing - iets op de schaafwond gespoten. En het prikt als een malle!
'Je vloekt veel…'
Is dat een vraag of een constatering?
'Je was vergeten te zeggen: dit kan wel even prikken…' zeg ik bijdehand.
Hij lacht. Het is een kleine lach, maar ik vind het interessant om te zien. Ik wil hem vaker zien lachen, maar elke keer duurt het maar heel eventjes.
Hij buigt wat voorover en heel even denk ik dat hij zijn lippen tegen de huid van mijn benen gaat drukken. Ik weet ook niet zo goed waarom ik hoop dat hij dat doet. Hij stopt echter vlak voor mijn huid en tuit zijn lippen een klein beetje. Vervolgens blaast hij zachtjes koude lucht tegen mijn knie aan.
Ik blijf verbaasd naar dit tafereel staren, terwijl ik nog steeds de theedoek tegen mijn neus gedrukt houd. 
De hand in mijn knieholte verplaatst zich naar mijn bovenbeen en ik houd even mijn adem in. Hij komt langzaam omhoog en ik voel zijn andere hand op mijn hand, waarmee ik de theedoek vasthoud.
'Laat eens zien.'
Nou, liever niet… maar hij haalt mijn hand - en daarmee de theedoek - naar beneden en onthult mijn gezicht weer.
Ik bid, tot alle goden die er maar zijn, dat niet mijn hele gezicht onder het bloed zit.
Hij haalt de theedoek uit mijn verstijfde vingers en gaat vervolgens rechtop staan. Ik ben opgelucht en teleurgesteld tegelijkertijd, als hij richting het keukenblok loopt en de afstand tussen ons vergroot.
Ik hoor dat hij de kraan even laat lopen en ik blijf de hele tijd aandachtig naar hem kijken. Hij loopt hier zo kalm en zelfverzekerd rond, dat het bijna jaloersmakend is.
Ik zit hier ondertussen te trillen als een rietje en begin me zo langzamerhand af te vragen, waarom ik met deze man mee ben gegaan. Heb ik soms een doodswens?
Als ik er al vanuit kan gaan dat deze mysterieuze man te vertrouwen is, dan heb ik ook nog een behoorlijk temperamentvolle man thuis zitten… die me alle hoeken van de kamer laat zien - in de slechtste zin van het woord - als hij dit zou weten.
Hij draait zich weer om en ik zie dat hij een schone theedoek in zijn hand heeft. Met elke stap die hij dichterbij zet, voel ik mijn hartslag omhoog schieten.
Hij hurkt weer voor me neer en zijn donkere ogen kijken recht in de mijne. Hij brengt de theedoek naar mijn gezicht en veegt voorzichtig langs mijn wang. Ik voel dat de theedoek een beetje vochtig is. Zijn andere hand pakt mijn kaak vast en hij wrijft grondig, maar zorgvuldig, over mijn gezicht heen. 
Hij duwt mijn hoofd voorzichtig wat naar achteren en veegt langs mijn kaaklijn, richting mijn hals. Ik houd mijn adem in en slik even, als hij wel erg ver naar de onderkant van mijn hals veegt met de theedoek. Ik heb kippenvel over mijn hele lichaam.
Hij kijkt bijna gefascineerd naar me en ik zie dat zijn mondhoek een beetje omhoog krult als hij opmerkt hoe mijn lichaam op hem reageert.
'Wie ben jij eigenlijk?' Het lijkt alsof ik opeens bij zinnen kom en me besef hoe vreemd dit eigenlijk allemaal is.
Hij lacht, weer heel eventjes, maar ik smelt er meteen bij weg. 
'Doet dat er toe?'
Wat is dat nou weer voor antwoord?
'Dit is vreemd…' denk ik hardop.
Hij gaat even met zijn vingertoppen langs mijn wang en strijkt vervolgens een verdwaalde lok van mijn haren naar achteren. 'Wat is vreemd?'
'Jij.'
Hij lacht weer. Het lijkt wel alsof het steeds langer duurt, zijn lach. Alsof hij elke keer zijn masker steeds langer laat vallen. Al is het nog steeds maar telkens een paar seconden.
Een paar seconden in de hemel.
'Zal ik je maar naar huis brengen?'
Ja, dat is inderdaad beter. Maar waarom voel ik zo veel teleurstelling, wanneer hij dat vraagt?
Mijn hoofd maakt een langzame, knikkende beweging.
Hij zet zijn armen op de rand van het zitvlak van mijn stoel en raakt daarbij mijn heupen aan. Hij duwt zichzelf omhoog en buigt voorover, zodat zijn gezicht vlak naast de mijne is.
'Kijk niet zo teleurgesteld,' fluistert hij in mijn oor en vervolgens gaat hij rechtop staan.
Hij houdt zijn hand open voor me en zonder na te denken, leg ik mijn hand in de zijne. Het lijkt wel alsof ik betoverd ben door hem. Ik heb dit nog nooit meegemaakt.
Ik laat me door hem omhoog trekken en blijf stokstijf stilstaan als hij om me heen loopt, totdat hij achter me stil blijft staan.
Ik voel stof tegen mijn huid aan komen en als ik vanuit mijn ooghoek naar mijn schouder kijk, zie ik dat hij zijn colbert over mijn schouders heen heeft gelegd. Vervolgens voel ik een hand tegen mijn rug, die me zachtjes richting de deur duwt.
De koele buitenlucht brengt me weer een beetje bij zinnen. Ik besef me opeens dat ik echt verkeerd bezig ben en ik moet dit een halt toe gaan roepen, voordat er dadelijk echt iets gebeurt wat ik niet meer recht kan zetten.
'Je hoef me niet naar huis te brengen. Ik red me wel.' Ik ben best trots op mezelf, hoe zelfverzekerd ik klink.
'Dat zei je net ook en toen werd je even later aangevallen. Ik breng je naar huis.' Hij klinkt nog zelfverzekerder en ik heb al meteen verloren… als dit al een spel was.
'Volgens mij ben jij best eigenwijs,' zucht ik.
'Volgens mij ben je zelf eigenwijs,' krijg ik als reactie.
Ik kijk hem - zogenaamd - verontwaardigd aan. 'Dat is een kinderachtige reactie.'
'Ik pas me aan, aan mijn gezelschap.' Hij zegt het totaal niet alsof het als een grapje bedoeld is, maar toch moet ik lachen.
'Ga je me nog vertellen wie je bent?' probeer ik nog maar een keer.
Hij ademt diep in via zijn neus. 'Die vraag is ingewikkelder dan je denkt.'
Ik frons mijn wenkbrauwen. 'Nu ben je dat mysterieuze wel een beetje aan het overdrijven hoor…' Ik blijf stilstaan en sla mijn armen over elkaar. 'Nou, vertel op…'
Hij pakt mijn elleboog vast en zorgt ervoor dat ik opnieuw in beweging kom. 'Vertel me eerst maar wie jij bent, dan kan ik ondertussen nadenken over wat ik jou ga vertellen.'
'Nee.' Ik blijf weer opnieuw stilstaan. 'Ik wil het nu weten, anders… ga ik gillen!'
Ik weet niet waar mijn kinderachtige gedrag opeens vandaan komt en ik begrijp al helemaal niet waar ik het lef vandaan haal om zo te praten, tegen iemand die ik helemaal niet ken.
Hij draait zich naar me om en steekt zijn handen in zijn zakken. Hij blijft me strak, maar wederom emotieloos aankijken en ik kan totaal niet peilen wat hij nu denkt.
'Wanneer begin je met gillen?'
Mijn mond valt een beetje open, ik wil iets zeggen, maar ik weet niet wat.
'Wil je me vertellen wie jij bent?' vraagt hij dan.
Ik duw mijn lippen weer even tegen elkaar en slik. 'Rose,' zeg ik vervolgens met een schorre stem. Jezus, wat is er met mijn stem gebeurd?
'Kom Rose, ik breng je naar huis…'
Hij houdt zijn hand weer voor me en ik blijf er even naar kijken. Hij blijft geduldig wachten, alsof hij weet dat ik uiteindelijk toch wel zal toegeven… wat ik ook doe.
Ik loop hand in hand, met een vreemde, door de straten richting mijn huis. Het lijkt wel alsof mijn hersens niet meer functioneren, want ik denk er totaal niet over na dat iedereen ons kan zien. Al is er vrijwel niemand meer op straat, gelukkig maar.
Ik kan niet ontkennen dat ik geniet van de aanraking, van mijn hand in de zijne. Hoe fout het ook is, zo goed voelt het tegelijkertijd ook. Ik wil niet dat dit gevoel stopt en die drang is groter dan de angst voor de eventuele gevolgen van mijn daden. Het is zelfs zo veel groter, dat het bijna beangstigend is.
Als we uiteindelijk voor de twee-onder-een-kap woning, waar ik met Dennis woon, staan voel ik een soort angst. Ik weet dat hij zo weg zal gaan en dan zal ik hem waarschijnlijk nooit meer zien. Ik twijfel er geen seconde aan dat het beter is, dat ik deze man nooit meer zie. Maar toch maakt het me ook… verdrietig en bang.
We blijven allebei even staan, naar elkaar starend en onze handen nog in elkaar. Misschien een paar seconden, misschien een paar minuten… ik ben me op dit moment niet bewust van de tijd. Ik ben me alleen maar bewust van de mysterieuze man die nu voor me staat en naar me kijkt, alsof ik de enige persoon op aarde ben.
Hij is degene die uiteindelijk mijn hand loslaat. Dat is misschien maar goed ook, want ik had het niet voor elkaar gekregen. 
Hij legt zijn handen op mijn schouders en zet een stap naar me toe. Onze lichamen raken elkaar nu bijna volledig aan. Ik ruik zijn frisse geur weer en het vleugje whisky. Heel even heb ik de neiging om mijn hoofd tegen zijn borstkas aan te drukken, maar ik houd mezelf in.
Hij schuift het jasje van mijn schouders en ik voel zijn vingertoppen over mijn linkerschouder gaan. Ik draai mijn hoofd een beetje en zie nu pas dat mijn jurk aan die kant helemaal gescheurd is. De donkerpaarse plekken op mijn schouder zijn nu volledig zichtbaar.
'Je verdient zo veel beter dan dat…'
Ik sla meteen mijn ogen neer en voel me tot op het bot ongemakkelijk. Hij legt zijn koele hand tegen mijn wang en mijn warme huid gloeit er tegenaan. Als ik vervolgens zijn zachte lippen tegen mijn voorhoofd voel, denk ik heel even dat ik flauw ga vallen.
'Tot ziens, Rose…'
Hij laat me plotseling los en draait zich om, om vervolgens te verdwijnen in de duisternis van de nacht.
Dit was vreemd.
Nee… Bizar. Het was gewoon ronduit bizar.

 


«   »

Reactie plaatsen

Reacties

Er zijn geen reacties geplaatst.