Chapter Twenty-Five

 

Ik lig op mijn rug op het grote hemelbed en staar wat naar het plafond. Het lijkt wel een eeuwigheid geleden sinds ik Lars heb gebeld en ik heb sindsdien niets meer van hem gehoord. Hij is nog steeds niet langsgekomen.
'Weet je zeker dat hij komt?' vraagt Dean, die inmiddels al eten via de roomservice heeft besteld en een broodje naar binnen heeft gewerkt. Ik krijg op dit moment geen hap door mijn keel, al heeft mijn maag inmiddels al een paar keer rommelend aangegeven dat ik honger heb.
'Ik dacht het zeker te weten,' zucht ik. Op dit moment twijfel ik echter behoorlijk, want er zijn al zeker twee uur verstreken. Misschien moet ik de hoop opgeven. 'Ik weet niet zo goed wat ik nu moet doen.'
Het blijft even stil, waarna hij vraagt: 'Vraag je nu aan mij wat je moet doen?'
'Misschien.' Ik draai me om, zodat ik op mijn buik op het matras lig, op mijn ellebogen leun en mijn hoofd ondersteun met mijn handen. Dean ligt aan de andere kant van het bed en is met zijn telefoon bezig. 'Zal ik hem nog een keer bellen?'
'Ja, dat kan…' Hij legt zijn telefoon opzij en verschuift op het matras, zodat hij vlak voor me ligt. De blik die hij nu in zijn ogen heeft, ken ik ondertussen al en mijn lichaam reageert er al automatisch op. 'Of we wachten nog even en houden ons in de tussentijd bezig… met andere dingen.'
'Andere dingen?' Ik kijk hem zogenaamd vragend aan, alsof ik geen idee heb waar hij op doelt. Ik kan een kleine, binnensmondse giechel echter niet geheel onderdrukken. 'Waar heb je het dan over?'
'Doe maar zo onschuldig.' Hij schuift nog wat dichter naar me toe en zijn lippen belanden op de mijne. Heel kort maar, want hij trekt vervolgens een spoor van kusjes richting mijn oor. 'Ik weet heus wel dat je dat alleen maar vraagt, omdat je het geil vindt om te horen wat ik allemaal met je wil doen.'
Ik druk mijn voortanden in mijn onderlip en mijn mondhoeken krullen omhoog. 'Betrapt,' fluister ik zachtjes, aangezien het geen zin heeft om dat te ontkennen. Zijn praatjes - die hij overigens wel altijd waarmaakt - vond ik in eerste instantie vooral ongemakkelijk, maar ik moet toegeven dat ik het steeds opwindender begin te vinden. 'Ga je het me nog vertellen?'
'Nee.' Hij dwingt me met zijn lichaam naar achteren, zodat ik weer op mijn rug terecht kom. Nog geen seconde later neemt hij schrijlings bovenop me plaats, met zijn bovenlichaam boven het mijne zwevend. 'Vertel jij mij maar wat je wil.'
O shit, dat vind ik echt een stuk minder opwindend. Ik weet echter dat hij het ook leuk vind om dat soort dingen uit mijn mond te horen, dus ik moet mezelf maar over die drempel heen gooien. 'Ik wil je…' Verder dan die woorden kom ik niet, want we worden gestoord door iemand die op de deur van de hotelkamer klopt.
'Lars,' gromt Dean geërgerd en hij drukt zijn hoofd zuchtend tegen mijn schouder. 'Ik mag hem nu al niet.' Ik weet dat hij een grap maakt, maar ik vind zijn opmerking best lullig en totaal overbodig. 'Voor de duidelijkheid…' Hij duwt zichzelf omhoog en rolt van mijn lichaam af. '… je gaat die zin straks echt wel afmaken.'
Ik grijp snel zijn schouder vast en trek hem een stukje terug, zodat mijn lippen zich vlakbij zijn oor bevinden. 'In mijn mond,' fluister ik snel, zodat ik er vanaf ben. Vervolgens duw ik mezelf overeind en loop ik richting de deur.
'Ik ga een sigaret roken op het balkon,' hoor ik hem achter me mompelen. 'Zodat ik een beetje kan afkoelen…'
Ik grinnik zachtjes, maar zodra ik de deurklink in mijn hand neem, kan ik nergens meer om lachen. Ik sluit mijn ogen heel even en adem diep in via mijn neus. Ik herhaal een paar keer de woorden het komt goed tegen mezelf in mijn hoofd en trek vervolgens de deur open.
'Lars…' Hij staat voor mijn neus en hij ziet er nerveus uit — wat begrijpelijk is. Ik kijk automatisch naar links en naar rechts, want het verbaast me dat hij alleen is. 'Je bent alleen gekomen.'
'Ja, natuurlijk,' snauwt hij en hij slaat vijandig zijn armen over elkaar. 'En ik ga ook echt niet met je praten waar hij bij is.' Ik ga er vanuit dat hij Dean is. 'Dit is iets tussen ons, Nien. Het gaat verder niemand iets aan.'
Hij heeft natuurlijk wel gelijk, maar Dean en degene met wie Lars mij bedriegt zijn hier toch al in betrokken - of we dat nu willen of niet - dus voor mij maakt het daarom ook niets uit of ze erbij aanwezig zijn.
'En daarnaast…' gaat hij al meteen verder. 'Ik dacht dat we afgesproken hadden dat je hem niet meer zou zien?'
'Eh, Lars…' Het maakt me woedend dat hij dit tegen me durft te zeggen op dit moment. Ik sla - net als hem - vijandig mijn armen over elkaar en kijk hem boos aan. 'Jij bent echt niet meer in de positie om daar iets van te vinden. Jij bent zelf hier met iemand anders, terwijl je beweerde dat je mij nooit had bedrogen.'
Hij snuift verontwaardigd en draait zijn hoofd opzij, zonder verder nog iets te zeggen. Dit gaat absoluut niet opschieten als we beiden deze vijandige houding vast blijven houden. Misschien moet ik in dit geval maar de volwassene zijn.
'Waarom heb je hem niet meegenomen?' vraag ik daarom op een rustigere toon. Ik laat mijn armen zakken, zodat mijn houding niet meer zo vijandig is. 'Ik wil hem graag ontmoeten.'
Hij kijkt naar me alsof ik hem voor de gek probeer te houden. ’Wat is dat nou weer voor een onzin?!’
'Ik meen het.' Ik wil niet boos op hem zijn, omdat ik me heel goed realiseer hoe lastig dit voor hem moet zijn. Toch suddert er binnenin mij alsnog een klein vuurtje, want hoe ik het ook wend of keer: hij heeft me wel bedrogen. 'Ik eh… ben wel benieuwd naar wie hij is.'
Nog steeds kijkt hij me huiverig aan, maar ik zie nu ook angst in zijn ogen. Hij is overduidelijk bloednerveus. De rode vlekken in zijn hals en zijn gejaagde ademhaling zijn daar het directe bewijs van. ’Waarom zou je dat willen weten?’
'Ik weet het niet…' Ik pers een klein glimlachje op mijn lippen en haal mijn schouders vluchtig omhoog. Het beetje boosheid wat ik zojuist nog voelde is nu helemaal verdwenen. Het wordt overschaduwd door medelijden. 'Je hoeft je nergens voor te schamen.'
'Ik begrijp je niet…' Hij laat zijn hoofd een beetje hangen en kijkt me niet aan. Met zijn rechterhand krabt hij nerveus aan de achterzijde van zijn hals. 'Waarom ben je niet woedend op me?'
'Je bent mijn beste vriend, Lars.' Het voelt op dit moment niet helemaal zo, maar als ik heel eerlijk ben is dit wel het geval. We zijn al sinds mijn dertiende samen, misschien niet daadwerkelijk als geliefden, maar hij is altijd mijn vriend geweest. 'Als dit is wat jou gelukkig maakt, dan…' Ik weet niet zo goed wat ik verder nog moet zeggen. 'Ik wil dat je gelukkig bent en ik weet dat ik jou niet gelukkig maak.'
'Ik zou zo graag willen dat het anders was…' Zijn stem is opeens zacht, bijna alsof hij fluistert. Misschien huilt hij, maar dat kan ik niet zo goed zien.
'Je valt niet op me. Het is oké.' Ik zeg het met een lach, omdat ik dit een beetje luchtiger probeer te maken voor hem. Voor mij is het eerlijk gezegd ook wel een opluchting, nu ik eindelijk weet waarom hij niet op me valt. Ik heb voor een hele lange tijd gedacht dat het aan mij lag, dat ik iets verkeerd deed.
'Het spijt me.'
'Ach…' Ik wuif wat met mijn hand om te laten weten dat het niet erg is. Natuurlijk is het dat wel - want hij had dit al veel eerder moeten aangeven - maar hij heeft er niets aan als ik dat zeg. 'Ik ben nog steeds erg benieuwd naar wie het is. Ken ik hem?'
Hij schudt zijn hoofd en eerlijk gezegd voelt dat als een opluchting. Ik moet er niet aan denken dat er nog iemand in mijn omgeving met een zelfde soort geheim rondloopt. 'Ik vind het best ongemakkelijk om erover te praten. Vooral hier, in de gang…' Hij fluistert en kijkt ongemakkelijk om zich heen, alsof hij bang is dat iemand hem kan horen. 'Ik wil niet dat iemand het weet.'
'Je kunt toch niet de rest van je leven doen alsof je…'
Hij onderbreekt me door mijn arm vast te pakken en me een dwingende blik - waarmee hij zonder woorden zegt dat ik mijn mond moet houden - toe te werpen. 'Nien, alsjeblieft. Praat niet zo hard.'
'Niemand hoort ons.' Maar toch verlaag ik mijn stemvolume, in de hoop dat het hem iets meer op zijn gemak stelt. Zijn angst is ongegrond, maar ik begrijp waar het vandaan komt en dat zorgt ervoor dat ik met hem te doen heb. 'Waarom kom je niet even naar binnen?'
Hij kijkt langs me door en ik draai mijn hoofd ook even die kant op. Dean is inmiddels alweer binnen en hij zit op het bed. Hij is echter met zijn telefoon bezig en lijkt weinig aandacht aan ons te besteden. 'Ik weet het niet,' antwoordt Lars vertwijfeld. 'Dit is allemaal een beetje raar…'
'Misschien is het minder raar als je…' Ik weet helemaal niet hoe zijn vriend heet. 'Hoe heet hij eigenlijk?'
'Jonah.'
'Misschien is het minder raar als je Jonah…' Het voelt best gek om hem opeens bij zijn naam te noemen. Ik ben nu ook wel erg nieuwsgierig naar wie hij is. '… erbij haalt. We hoeven het niet meteen over ons te hebben, als je dat niet wil. Maar ik zou het wel fijn vinden om hem te ontmoeten.'
Lars ademt diep in, terwijl zijn blik naar binnen - waarschijnlijk op Dean - gericht blijft. Hij twijfelt, maar ik ken hem ook goed genoeg om te weten dat hij op het punt staat om overstag te gaan. 'Ik ben bang dat het heel erg ongemakkelijk wordt.'
'We hoeven niet de rest van de dag met elkaar door te brengen,' stel ik hem gerust. Ik wil gewoon weten met wie Lars zijn tijd doorbrengt en stiekem ben ik ook nieuwsgierig hoe Lars zich gedraagt in het bijzijn van iemand die hij leuk vindt. Het klinkt misschien gek, maar ik zou hem graag eens echt gelukkig willen zien. 'Gewoon kennismaken. Geen big deal.'
'Oké.' Ik wist wel dat hij zou instemmen. 'Ik ga hem wel halen, maar beloof me dat je het niet ongemakkelijk maakt.'
'Natuurlijk niet!' Ik geef hem een plagend duwtje tegen zijn schouder. Ik probeer niet te laten merken hoe ongemakkelijk ik mezelf voel en volgens mij lukt dat aardig. 'Nou, ga die kerel halen dan.'
Lars vertrekt weer en ik duw de deur van de hotelkamer achter me dicht. Ik voel nu pas dat ik behoorlijk sta te trillen op mijn benen en dat mijn hart gigantisch hard tekeer gaat. Ik heb de hele tijd ontzettend hard mijn best gedaan om Lars op zijn gemak te stellen, waardoor ik me niet zo met mijn eigen zenuwen bezig heb gehouden.
'Gaat het?' vraagt Dean.
Ik zie dat hij overeind komt vanuit het bed en mijn kant op komt gelopen. Ik sta nog steeds met mijn rug tegen de deur van de hotelkamer, omdat ik echt even bij moet komen. Veel tijd heb ik echter niet, want ik ga er vanuit dat Lars en Jonah zo hier zullen zijn. 'Het gaat prima,' lieg ik.
Dean pakt mijn handen vast en trekt me bij de deur vandaan. Ik voel me een beetje wezenloos, dus ik laat me nogal gemakkelijk door hem vooruit slepen. ’Heb ik je al eens verteld hoe geweldig je bent?’
Dat is een vreemde uitspraak. ’Wat?'
Hij trekt mijn handen omhoog en legt ze op zijn schouders, om vervolgens zijn eigen handen op mijn heupen te plaatsen en me een klein stukje omhoog te tillen. ’Ik vind je geweldig.'
'Hoezo dat?' Ik begrijp niet waar dit opeens vandaan komt, al vind ik het uiteraard wel leuk om te horen — vooral uit zijn mond.
'Omdat je dat gewoon bent, Nina.'