Chapter Thirty

 

Ondanks dat ik hem met mijn beide handen weg probeer te duwen, kust Jonah me in mijn hals. De vingertoppen van Lars strijken over mijn wang en ik voel een van Jonah’s handen nog steeds op mijn ontblote borst. Zijn andere hand voel ik opeens op mijn dijbeen.
'Niet doen…' Ik kan wel janken, omdat ik het gevoel krijg dat ze mijn protest niet op lijken te merken. Ik blijf met mijn handen tegen Jonah duwen, maar het heeft geen enkel effect.
'Nina, ik wil jullie alleen maar helpen,' zucht Jonah, terwijl zijn lippen vanuit mijn hals afdwalen richting mijn sleutelbeen, steeds meer naar mijn borsten. 'Je vond het toch lekker?'
Vond. Dat zegt hij goed, maar dat was toen ik dacht dat hij Dean was. Op dit moment vind ik zijn aanrakingen helemaal niet lekker, fijn, opwindend… wat dan ook.
'Lars moet leren hoe hij voor jouw plezier kan zorgen…' O god, hij is echt gestoord. Hij gaat ongestoord verder met het kussen van mijn huid en ik voel zijn vingertoppen tegen de stof van mijn slipje. 'Ik ga hem daarbij helpen.'
'Stop,' murmel ik. Ik begin mijn ellebogen te gebruiken om hen weg te duwen. Ik klem mijn benen stevig tegen elkaar en trek wanhopig aan de onderzijde van mijn nachthemd, om mezelf weer zo veel mogelijk te bedekken. 'Ik wil dit niet…'
'Jonah, ze wil echt niet,' hoor ik Lars godzijdank zeggen. 'Laat haar los.'
Alsnog voel ik dat Jonah’s lippen mijn tepel raken en het maakt me zo boos, dat ik mijn hand tot een vuist vorm en uithaal tegen zijn hoofd. Ik weet niet eens waar ik hem precies raak, maar hij laat me wel meteen los, waardoor ik mezelf tussen Lars en Jonah uit kan wurmen en het bed uit kan springen.
'Nina, wacht… het spijt me!' Lars komt ook overeind en probeert me tegen te houden, maar ik ben hem net te vlug af en ren zo snel als ik kan de slaapkamer af. 'Nien, alsjeblieft!'
Nee, het kan me niets meer schelen wat hij zegt. Door dit te doen heeft hij zo veel meer kapot gemaakt, dan er in eerste instantie al kapot was. Ik kan hem dit nooit meer vergeven — wat hij ook zegt. Ik wilde al van hem scheiden, maar ik wilde er ook alles aan doen om nog als vrienden uit elkaar te gaan. Die kans heeft hij nu voor ons allebei voorgoed verpest.
Ik storm de trap af en gris zonder na te denken mijn autosleutels van het haakje, van plan om - slechts gekleed in mijn nachthemd - in mijn auto te stappen en te vertrekken.
'Nien, je kunt nu niet rijden!' roept Lars me na van boven aan de trap. Hij snelt nu ook naar beneden, in de hoop dat hij me nog kan tegenhouden — dat gaat echt niet gebeuren. 'Je hebt veel te veel gedronken. Ik…' Hij verlaagt zijn stemvolume, alsof hij bang is dat iemand hem hoort. '… ik proefde de wijn net gewoon, toen ik je kuste.'
'Fuck jou, Lars!' krijs ik, zonder echt te luisteren naar wat hij zegt. Hij heeft zeer zeker een punt, want ik ben veel te beschonken om nu achter het stuur te kruipen. De mate waarin ik overstuur ben, overheerst echter alles en het enige wat ik nu wil, is zo snel mogelijk hier vertrekken.
Ik moet hier weg!
Ik trek de voordeur open, maar op datzelfde moment arriveert Lars beneden aan de trap en probeert me terug te trekken aan mijn arm. Ik sla echter wild met mijn armen heen en weer, zodat hij geen enkele grip op me krijgt. ’Nien, doe normaal! Je kunt toch niet zó naar buiten?’
'Waag het niet om me tegen te houden!' Ik steek mijn wijsvinger dreigend naar hem uit en probeer hem op die manier op afstand te houden. Ondertussen loop ik achteruit de voordeur uit. 'Je hebt verdomme álles kapot gemaakt, Lars. Alles!'
Ik zet nog een stap naar achteren en botst vervolgens tegen iets - of eigenlijk tegen iemand - aan. De paniek in mijn lichaam heeft nog steeds de overhand en beschouwt het als een obstakel, wat ik net als Lars op afstand probeer te houden.
'Wat is hier aan de hand?' Ik herken Deans stem vaag, maar het dringt niet tot me door dat hij opeens achter me staat — ook niet wanneer ik zijn arm om mijn middel voel. Ik ben te veel gefocust op Lars en hem op afstand te houden.
'Breng haar alsjeblieft naar binnen,' zucht Lars vermoeid, alsof ik het probleem ben. 'Voordat iemand haar in deze hoedanigheid ziet. Nien, kom op…'
'Nee!' Ik probeer weer een stap naar achteren te zetten, maar Deans lichaam blokkeert me. Het begint steeds meer tot me door te dringen dat hij achter me staat, waardoor mijn boosheid jegens hem ook weer begint op te spelen. 'Laat me los,' snauw ik naar hem, terwijl ik met mijn volle kracht wanhopig probeer de afstand tussen Lars en mij - of tussen Dean en mij, ik weet het namelijk niet meer - nog meer te vergroten. 'Laat me verdomme los!'
'Niet haar loslaten,' durft Lars ook nog tegen Dean te zeggen.
Dat zorgt ervoor dat er iets in mij knapt.
'Houd je bek dicht!' Ik schreeuw harder dan ik ooit gedaan heb en het kan me niets schelen dat waarschijnlijk al mijn buren hiervan mee kunnen genieten. Ik ben zo boos… ik kan me niet herinneren dat ik in mijn hele leven ooit zo boos ben geweest. Het voelt alsof al mijn frustraties van de afgelopen jaren zich verzameld hebben en op dit moment als een vulkaan tot uitbarsting komen.
'Wat is hier in godsnaam aan de hand?' vraagt Dean nog een keer, nog steeds met zijn arm om mijn middel geslagen. Met zijn andere hand draait hij mijn hoofd, zodat ik gedwongen word om in zijn ijsblauwe ogen te kijken — de ogen die ik net nog hoopte te zien, maar toen bleken het de bruine ogen van Lars te zijn. 'Wat is er aan de hand?'
Ik voel tranen in mijn ogen opwellen en een gigantische brok in mijn keel ontstaan. 'Ik moet hier weg,' is het enige wat ik fluisterend uit mijn mond krijg. 'Alsjeblieft…'
Deans blik schiet plots omhoog richting Lars en vervolgens weer terug naar mij. Het is alsof hij het opeens weet, zonder dat ik iets gezegd heb. ’Heeft hij iets gedaan?’
'Hé, luister eens…' Lars houdt zijn handen onschuldig omhoog en schudt zijn hoofd. 'Ik heb helemaal níets gedaan! Het was niet eens mijn idee!'
'Nina…' Deans greep om mijn middel verstrakt. Niet om me pijn te doen, maar omdat hij langzaamaan begint te koken van woede. De tranen rollen inmiddels over mijn wangen en mijn lichaam verstijfd. Ik durf niet te knikken, al weet ik niet zo goed waarom. 'Zeg me wat hij gedaan heeft…'
'Lars?' De stem van Jonah zorgt ervoor dat mijn vluchtrespons weer hevig toetreedt. Ik begin panisch mijn gewicht weer naar achteren te duwen, met mijn blote voeten tegen de ijskoude klinkers die onze oprit bedekken.
Deans blik schiet weer richting de voordeur, naar de plek waar Lars staat. Zijn ademhaling verzwaart en ik kan me niet herinneren dat ik zijn ogen al eerder zo donker heb gezien. 'Wat hebben jullie gedaan?'
'Helemaal niets!' Lars blijft zijn onschuld volhouden, ook al moet hij beseffen dat het geen zin meer heeft. 'Jonah dacht dat…' Ik zie dat hij zijn schouders ophaalt en meteen daarna word ik losgelaten uit Deans greep. Hij stormt op Lars af, maar ik voel geen enkele behoefte om ernaar te blijven kijken.
Ik moet hier weg!
Ik trek een sprint richting mijn auto die aan het uiteinde van de oprit staat en druk op het knopje van de automatische deurvergrendeling. Vervolgens ruk ik het bestuurdersportier open en gooi mijn lichaam zowat achter het stuur.
'Ze heeft veel te veel gedronken!' Hoor ik iemand - waarschijnlijk Lars - nog vaag op de achtergrond roepen.
Ik zie vanuit mijn ooghoek dat Dean richting het bijrijdersportier loopt - of rent, aangezien alles zich in slowmotion af lijkt te spelen - en ik weet nog net op tijd mijn deuren te vergrendelen, zodat hij het portier niet kan openen.
Ik hoor dat hij tegen mijn zijraam bonkt, maar ik blokkeer het geluid. 'Nina, doe dit niet…'
Ik weet nog net - in een soort automatische reactie - mijn gordel te bevestigen. Met trillende handen steek ik mijn sleutel in het slot en start vervolgens de motor van mijn auto. Ik wil… nee, ik moet hier zo snel mogelijk weg en ik wil me door niemand meer laten tegenhouden.
Deans hand bonkt nog steeds tegen mijn zijraam, terwijl ik mijn auto achteruit de oprit afrijd. Mijn zicht is vertroebeld, maar ik zie nog net voldoende om te zien waar ik naartoe moet sturen.
Zodra mijn auto op het wegdek staat en tot stilstand komt, druk ik het gaspedaal in — veel harder dan ik normaal gesproken zou doen. Ik heb het gevoel alsof ik haast heb, waardoor het me voor even niets kan schelen dat ik veel te hard rij.
Het is nog steeds behoorlijk glad op de weg, maar ik heb het gevoel alsof ik voldoende grip heb om dit tempo aan te houden. Ik moet wel… want ik moet hier weg! Het is geen keuze, maar een drang die zo ontzettend sterk is, dat ik het onmogelijk kan negeren. Ik weet niet eens waar ik naartoe ga, zolang ik maar weg ben.
Heel ver kom ik echter niet, want nadat ik de straat uit ben gereden, kom ik abrupt - met een keiharde, oorverdovende klap - tot stilstand. Mijn hoofd vliegt naar voren en ramt tegen het stuur, waarna de smaak van metaal mijn mondholte vult. Mijn gezicht doet pijn en ik voel een enorme druk in mijn borstkas, alsof zojuist alle lucht uit mijn longen is geslagen.
Mijn vertroebelde zicht wordt steeds vager en vager… totdat ik geheel mijn bewustzijn verlies.