Chapter One

De boot dobbert zachtjes heen en weer op het azuurblauwe water en ik geniet van het brandende gevoel dat de lentezon op mijn huid achterlaat. Misschien ben ik aan het verbranden, mijn lichte huid is immers niet zo veel uv-straling gewend en ik heb me de hele dag niet ingesmeerd, maar dat kan me nu echt even niet schelen. Ik ben veel te veel bezig met genieten van dit moment om me zorgen te maken over alles wat hierna komt.
Dit is hoe het voelt om gelukkig te zijn.
Ik dacht altijd dat het niet voor mij was weggelegd, dat ik voorbestemd was om de rest van mijn leven in de hel door te brengen, maar ik ben op de een of andere manier in het paradijs terechtgekomen. Dan heb ik het natuurlijk niet alleen over de sprookjesachtige plek waar ik nu ben, maar ook over mijn mentale staat.
Ik heb rust.
Ik kan weer ademhalen.
Ik hoef niet meer bang te zijn.
Ik ben vrij.
Van schrik span ik mijn buikspieren aan als er wat koele waterdruppels op mijn verhitte huid landen. Ik open mijn ogen, maar de zon schijnt zo fel dat ik in eerste instantie niks zie, dus ik knijp mijn ogen tot spleetjes en blokkeer de zonnestralen met mijn hand.
Daar staat hij, Ryan, de man van mijn dromen. Iemand die onverwacht mijn leven binnen kwam wandelen, op een moment waarop ik de hoop al had opgegeven. Hij liet me inzien dat ik wel een keuze had, dat ik niet hoefde te berusten in een lot waarin ik dacht vast te zitten.
En dus koos ik, voor hem, ook al vond hij zichzelf geen goede keuze.
Mijn mondhoeken krullen op in een glimlach, maar zijn knappe gezicht kijkt zoals gewoonlijk bloedserieus. Het is zonde dat hij niet wat vaker lacht, dat de blijdschap die ik vanbinnen voel als ik bij hem ben niet ook van hem afstraalt, maar ik ben er al een beetje aan gewend. Het maken de zeldzame momenten waarop hij zijn lach wel aan me toont des te bijzonder, omdat het voelt alsof hij dat speciaal voor mij bewaart.
‘Jij hoort hier niet te zijn,’ zegt hij dan, op een toon die zo ijskoud is dat het mijn bloed doet bevriezen.
Wat?
Ik heb hem vast niet goed verstaan, want het slaat nergens op dat hij dat zegt. Hij heeft me zelf meegenomen naar deze plek – de calanques tussen Marseille en Cassis – omdat hij me een stukje paradijs op aarde wilde laten zien. Toegegeven, hij heeft niet gelogen, want deze plek heeft me echt omvergeblazen.
Maar waarom zegt hij dat ik hier niet hoor te zijn?
Verward duw ik mezelf op mijn elleboog omhoog, met mijn andere hand blokkeer ik nog steeds de zonnestralen voor mijn ogen. Ryan staat vlak naast het bankje op het dek waar ik op lag te zonnen, zeewater druppelt van zijn vochtige haar en zwembroek op mijn huid. Ik open mijn mond om te vragen waar hij het over heeft, maar hij is me voor.
‘Rose. Rot. Op.’ De blik in zijn ogen is zo donker dat er kippenvel op mijn verhitte huid ontstaat, hoewel ik het bloedheet heb. ‘Het was allemaal nep. Ben je nou echt zo dom dat je dat niet begrijpt?’
Ik duw mezelf nog wat verder overeind en frons, de pijnlijke steek die ik ergens in mijn borstkas voel probeer ik te negeren, want dit is een misverstand — dat moet. ‘W-wat?’ breng ik stilletjes uit, zo zacht dat ik niet eens zeker weet of ik het woord wel hardop uitspreek.
Rechts naast me klinkt een zachte lach, een grinnik, en mijn hoofd schiet meteen in de richting van het geluid.
Ik herken dat geluid.
Ik herken het, omdat ik het al te vaak heb moeten horen.
Ik herken het, omdat ik het háát.
Dennis?!
Ik heb geen idee wat hij hier plots doet, waarom hij op het dek van de kleine boot staat, terwijl we ergens op een afgelegen plek in de zee drijven. Ik heb ook geen idee waarom het geen seconde in me opkomt hoe onlogisch – of eigenlijk hoe onwerkelijk – dit is, want dit kan helemaal niet.
Hij kan hier niet zijn… maar toch staat hij hier opeens.
‘Ze is nou eenmaal dom,’ zegt hij met een valse grijns op zijn smoel, zijn minachtende blik op me gericht. ‘Altijd al geweest.’
Wat is hier aan de hand?
Heeft hij het tegen Ryan?
Ik begrijp er helemaal niets van en draai mijn hoofd naar links, naar de plek waar Ryan nog steeds in zijn zwembroek staat en zeewater op het dek druppelt. Ik hoop dat hij me enige uitleg kan geven over deze bizarre situatie, maar in plaats daarvan vraagt hij: ‘Gebruikte je moeder ook toen ze zwanger van jou was? Ben je daarom zo dom?’
Ik voel een steek in mijn borstkas, want hoewel ik nog steeds niets van deze situatie begrijp, komt die opmerking binnen als een messteek door mijn hart. Hoe kan hij dit zeggen? Uitgerekend dit?
Veel tijd om erover na te denken heb ik echter niet, want er komt iets vanuit mijn ooghoeken mijn gezichtsveld binnen. Ik schrik als het zonlicht tegen het metaal weerkaatst en ik de loop van een pistool opmerk.
Een pistool in Dennis' hand.
‘Wat doe je?!’ roep ik meteen naar Dennis. Ik klink hysterisch, en dat ben ik ook. Hij richt het wapen namelijk op Ryans hoofd die doet niets om zichzelf uit de vuurlinie te verwijderen. Hij staat daar gewoon, onaangedaan, naar mij te kijken met een onleesbare blik in zijn donkere ogen.
Ben je dom?
Het was allemaal nep.
Rot. Op.
Gebruikte je moeder toen ze zwanger van jou was?
Zijn woorden echoën na in mijn hoofd als er plots een keiharde knal klinkt die tegen de hoge rotswanden weerkaatst.

En dan schrik ik wakker…

Badend in het zweet schiet ik naar voren en ik hap naar adem, met een bloeddruk die zo hoog is dat het voelt alsof er een kudde olifanten door mijn lijf dendert. Het duurt heel even voordat ik doorheb waar ik ben en wat er aan de hand is, maar al snel besef ik dat ik in de logeerkamer van mijn broer ben. Ik logeer tijdelijk bij hem en Hannah, omdat ik geen eigen woonruimte meer heb.
En ik had dus weer een nachtmerrie.
Sinds die nacht in het ziekenhuis droom ik over de meest bizarre dingen, maar nooit over wat er echt is gebeurd. Het vindt altijd op een andere plek plaats en soms worden er ook andere dingen in gezegd, soms heeft Ryan het pistool vast in plaats van Dennis en heel soms – tot nu toe is dit twee keer voorgekomen – had ik het pistool in mijn hand.
En elke keer schrik ik wakker als het schot wordt gelost.
Zo gaat het elke nacht, soms meerdere keren per nacht, inmiddels al tien dagen lang. Ik ben doodop, maar ik durf amper te gaan slapen, want telkens wanneer ik in slaap val beland ik op de meest vreemde plekken.
Ik wil helemaal niet meer aan die nacht terugdenken, ik wil het gewoon vergeten.
De deur van de logeerkamer schuift langzaam open en het gedimde ganglicht schijnt de kamer binnen. Het silhouet van mijn broer verschijnt in de deuropening en ik haat het dat ik hem blijkbaar alweer wakker heb gemaakt.
‘Sorry,’ zeg ik maar meteen.
Het wordt echt tijd om een eigen woonruimte te zoeken, zodat hij en Hannah geen last meer van me hebben. Het was heel lief van ze om me in huis te nemen, maar ik neem aan dat ze uiteindelijk ook verwachten dat ik weer zal vertrekken. Tot nu toe heb ik geen enkele actie ondernomen en ik ben hier nu al tien dagen.
‘Had je weer een nachtmerrie?’ vraagt Eric en hij komt de kamer binnenlopen, waarna hij plaatsneemt op de rand van het bed. Nu hij wat dichterbij is kan ik zijn gezicht beter zien en ik vind het vreselijk dat hij weer een bezorgde blik in zijn ogen heeft. Dat heb ik veroorzaakt, niet alleen door hem zijn nachtrust af te pakken omdat ik telkens schreeuw in mijn slaap, maar ook door hem min of meer te betrekken in een schietpartij. Het was immers mijn ex die een pistool mee naar het ziekenhuis had genomen en Erik was op dat moment daar, omdat hij mij probeerde te kalmeren. Als ik er niet was geweest, dan was hij daar ook niet geweest.
‘Het gaat wel,’ stel ik Erik snel gerust en ik plak een glimlach op mijn gezicht. ‘Ga maar weer slapen. Het spijt me dat ik je wakker…’
‘Roosje,’ onderbreekt hij me. ‘Ik… Ik ben hier niet…’
Erik zucht, slaat zijn ogen neer en knijpt ze heel even dicht. De stilte die volgt bezorgt me kippenvel, al heb ik geen idee wat hij wilde zeggen, of wat hij gaat zeggen. Het is alsof ik het slechte nieuws in de lucht voel hangen, als een zware donderwolk die boven mijn hoofd hangt en op het punt staat om open te breken.
‘Ik ben hier omdat mama net belde vanuit het ziekenhuis…’