Chapter Two

Sinds die ene nacht ben ik niet meer in het ziekenhuis geweest, ook al wordt mijn zus nog steeds kunstmatig in slaap gehouden en is mijn neefje sinds zijn geboorte aan het vechten voor zijn leven. Ik had langs moeten gaan – dat weet ik – maar ik kon het gewoon niet. Het was te pijnlijk om terug te gaan naar de plek waar mijn wereld instortte. De gebeurtenissen zijn nog te vers en mijn lichaam en ziel zijn te uitgeput om aan enige vorm van verwerking te beginnen, en dus heb ik het de hele tijd uitgesteld.
Maar toch loop ik nu samen met mijn broer en schoonzus door de draaideur bij de hoofdingang van het ziekenhuis. Toen ik hier voor het laatst was, was het midden in de nacht. Het is nu bijna ochtend, maar nog dusdanig vroeg dat er geen andere mensen rondlopen in de grote aankomsthal. Misschien was het makkelijker geweest als het wel druk was, want nu gaat mijn blik vrijwel meteen naar de plek waar we tien nachten geleden stonden.
Eric en Hannah lopen voor me en kibbelen wat – iets wat ik ze de afgelopen dagen wel vaker hoor doen – maar ik hoor het niet echt, want mijn hartslag dreunt zo hard tegen mijn trommelvliezen dat het al het andere geluid overstemt. Mijn ademhaling hapert als mijn brein me voor de gek houdt door beelden op mijn netvlies te planten van die nacht.
Dennis met het pistool in zijn hand…
Ryan die doodleuk vertelt dat hij me al die tijd heeft gebruikt…
‘Hé, gaat ie?’ Blijkbaar ben ik gestopt met lopen en Eric is voor me komen staan. Zijn hand ligt op mijn schouder, waar hij zacht in knijpt, en zijn bruine ogen kijken me bezorgd aan. Dat maakt dat ik weer terugkeer naar de realiteit.
‘Sorry,’ zeg ik snel en ik plak een glimlach op mijn gezicht.
Eric schudt zijn hoofd. ‘Dat hoeft niet. Ik snap dat het heftig is om hier weer te zijn. Dat had ik ook toen ik hier voor de eerste keer liep na die nacht.’
Hij is de enige die me een klein beetje snapt, omdat hij de enige is die – buiten Dennis en Ryan – erbij was. Aan hem hoef ik niet uit te leggen wat er aan de hand is, waarom ik me al tien dagen zo vreemd gedraag. Hij is ook de enige in mijn omgeving die weet wat Dennis me al die jaren heeft aangedaan, want ik heb hem gesmeekt om daar met niemand over te praten. Ik ben er nog niet klaar voor om dat stukje van mezelf met de buitenwereld te delen, en ik weet ook niet of ik daar ooit klaar voor ben. Het liefst wil ik alles gewoon vergeten, doen alsof het nooit is gebeurd en ik niet het meisje ben dat gebroken is door haar ex-vriend.
‘Kom,’ zegt Eric en hij slaat zijn arm om mijn schouders. Het is fijn dat hij er voor me is, dat hij de rol van beschermer op zich heeft genomen, want dat is wat hij doet. Hij schermt mij af voor de boze buitenwereld en geeft me alle tijd die ik nodig heb om weer mezelf te worden, zonder enig oordeel.
Hannah staat een paar meter verderop en ze glimlacht kort naar me. Ook zij is superlief voor me, maar ik heb voortdurend het gevoel dat ik haar tot last ben, dat ik de reden ben waarom zij en Eric zo vaak kibbelen. Ik weet niet of dat echt zo is, misschien kibbelden ze altijd al en heb ik dat gewoon nooit gezien, maar ik ontneem deze mensen hun nachtrust. Wie zou daar niet chagrijnig van worden?
Ik moet echt actie gaan ondernemen om een eigen woonruimte te gaan zoeken, want ik wil niet ook nog eens de oorzaak zijn van een relatiebreuk tussen mijn broer en zijn vriendin.
Maar dat zijn zorgen voor later, want nu hebben we iets anders aan ons hoofd. We zijn natuurlijk niet voor niets op dit tijdstip in het ziekenhuis. Mijn moeder had Eric gebeld met de boodschap dat we meteen moesten komen, omdat het niet goed gaat met mijn zus Celine. En met niet goed bedoel ik eigenlijk heel slecht. Wat er precies aan de hand is weet ik niet, maar Eric zei dat ze niet zeker weten of Celine het einde van de dag wel gaat halen.
Dat mag echt niet gebeuren.
Na alles wat er al is gebeurd, mag ik niet ook nog eens mijn zus verliezen.
Het zou te oneerlijk zijn, te wreed.
We naderen de intensive care unit en ik schuil nog steeds onder Erics arm. De plek waar we tien dagen geleden stonden bevindt zich nu niet langer in mijn gezichtsveld, maar dat betekent niet dat ik nu rustig kan ademhalen. Ik heb geen idee wat ons zo te wachten staat, hoe erg Celine er aan toe is en hoe we hier straks weer weg zullen lopen, en die onzekerheid is beangstigend.
We lopen langs een klein koffiehoekje en botsen daar bijna tegen een vrouw met geblondeerd haar, die net een dampend bekertje drank uit de automaat heeft gehaald. Gelukkig is Eric wat alerter dan ik en kan hij voorkomen dat ik een beker loeihete koffie over me heen krijg.
Ik schrik me dood als ik een seconde later zie met wie ik een bijna-botsing had. Dennis’ moeder – Tieneke – staat me met grote ogen aan te kijken. De dikke eyeliner die haar ogen altijd omringt is een beetje uitgelopen en het wit van haar ogen is rood doorlopen.
‘Nou, nou, kijk eens wie ook eindelijk haar gezicht durft te laten zien,’ zegt ze en haar roze gestifte lippen trekken in een streep. Haar mierzoete parfum vermengt zich met de muntachtige geur van de kauwgom in haar mond en het maakt me misselijk. Ik heb altijd al een hekel gehad aan die geur. ‘Hoe durf jij jezelf hier te vertonen?’ Haar blik gaat naar Eric en haar ogen gaan minachtend over hem heen. ‘En ook nog met een andere man, terwijl mijn zoon hier voor zijn leven aan het vechten is.’
‘Dit is mijn broer!’ zeg ik verontwaardigd, maar dan dringt pas tot me door wat ze nog meer zegt. ‘Wacht… ligt Dennis hier?’ vraag ik met een piepstemmetje, terwijl ik een angstige blik om me heen werp, alsof ik verwacht Dennis hier ergens op de gang aan te treffen.
Ik weet dat hij geraakt is tijdens de schietpartij, want dat heeft mijn moeder vorige week of zo aan Eric verteld – die het weer aan mij vertelde – maar ik heb verder niet doorgevraagd over hoe ernstig het was, of waar hij was opgenomen. Het kon me eerlijk gezegd niet zo veel schelen. Het enige wat er door me heen ging, was dat ik blij was dat de twee geweerschoten die ik die nacht heb gehoord in ieder geval niet in Ryan waren beland.
Want ja, hoewel hij me keihard heeft bedrogen en me enkel heeft gebruikt om wraak te nemen op Dennis, was dat het enige waar ik aan kon denken.
‘Het gaat jou helemaal niets aan waar Dennis is,’ snauwt Tieneke naar me en ze zet een stap dichterbij om me extra dreigend aan te kijken. Haar ogen lijken op die van Dennis en bevatten datzelfde donkere randje dat hij altijd had als hij boos op me was — de appel valt blijkbaar niet ver van de boom. ‘Denk maar niet dat ik jou ooit nog in zijn buurt laat,’ zegt ze, terwijl ze de lange stilettonagel van haar wijsvinger tegen mijn schouder drukt. ‘Jij hebt hem niets anders dan ellen—'
‘Zo is het wel weer genoeg,’ onderbreekt Eric haar en zijn blik is net zo dreigend als die van Tieneke, maar ik betwijfel of ze dat ziet. Al haar aandacht gaat naar mij, totdat hij haar hand bij mijn schouder wegveegt alsof hij een vliegje bij me wegslaat. ‘Ik neem aan dat jij de moeder van Dennis bent?’ vraagt hij op een toon die ik helemaal niet van hem gewend ben. Alleen al het feit dat hij jij zegt tegen een oudere vrouw die hij niet kent is voldoende om mijn mond open te laten zakken. ‘Zorg maar dat hij uit háár buurt blijft, mevrouw, anders zorg ik er persoonlijk voor dat hij nog wat meer tijd op deze afdeling mag doorbrengen.’
Tienekes mond gaat open, omdat ze overduidelijk een weerwoord wil geven, maar Eric geeft haar die kans niet.
‘Kom, Rose,’ zegt hij snel en hij duwt me wat opzij, waardoor Tieneke niet langer mijn weg blokkeert. ‘Laat haar met rust,’ zegt hij nog tegen haar als hij me mee vooruitduwt en we haar passeren, ‘we zijn hier niet voor die klotezoon van je.’
O. Mijn. God.
Wie is deze man en wat heeft hij met mijn broer gedaan?
Mijn kalme, zachtaardige broer die geen vlieg kwaad doet, maar nu wel de vreselijke moeder van mijn ex op haar plek zet alsof het iets is wat hij dagelijks doet. Misschien zou ik blij moeten zijn dat hij het voor me opneemt, maar ik voel me eerder verontrust. Dit is niet hoe Eric is en ik wil absoluut niet dat hij zich vanwege mij zo gaat gedragen.
‘Eric,’ zegt Hannah vermanend als ze zich aan zijn andere zijde naast ons voegt. Ze kijkt niet blij en ik voel me meteen schuldig, want dit komt allemaal door mij.
Eric mompelt iets onverstaanbaars en wil er verder blijkbaar niets over kwijt, want we lopen in stilte verder door de gang. Ik werp nog een snelle blik over mijn schouder, maar zie Tieneke nergens meer. Hopelijk betekent dat dat Dennis’ kamer ergens anders is, niet in dezelfde gang als de kamer van Celine.
We stoppen in een deuropening en vanbinnen slaat bij mij meteen de paniek toe. Mijn moeder zit op een stoel en bladert wat door een tijdschrift zonder echt te lezen wat er op de pagina’s staat, Hugo zit op een bankje bij het raam en tuurt met een verslagen naar de duisternis buiten, en Celine… waar is ze?
Ik kijk paniekerig naar Eric, die nog steeds zijn arm om me heen heeft geslagen. Hij kijkt echter niet naar mij. ‘Hé,’ zegt hij zacht tegen mijn moeder en Hugo.
Ze kijken allebei tegelijk op, Hugo knikt kort en op mijn moeders gezicht verschijnt een waterig glimlachje. Ze vouwt het tijdschrift dicht en legt het weg, waarna ze overeind komt en naar ons toe loopt. Ze omhelst Eric, dus hij laat mij los en slaat zijn armen om haar heen. ‘Goed dat jullie er zijn,’ hoor ik haar mompelen.
Waar is Celine?
Zijn we te laat?
Is ze in de tijd die wij nodig hadden om hierheen te komen nog meer achteruit gegaan?
Is ze…
Voordat ik die gedachte af kan maken, stelt Eric gelukkig de vraag die ik niet over mijn lippen krijg. ‘Waar is Celine?’
Mijn moeder maakt zich los van Eric. ‘Ze wordt nu geopereerd,’ antwoordt ze tot mijn opluchting. ‘We krijgen zo te horen hoe het is gegaan,’ voegt ze er aan toe en ze wrijft kort over Erics bovenarm en komt dan voor mij staan. Haar mondhoeken krullen een beetje op. ‘Fijn dat je er bent, lieverd.’
Ik weet niet goed wat ik moet zeggen, maar ik laat me door haar knuffelen en sla mijn armen ook om haar heen. In de afgelopen weken heb ik vaker met haar geknuffeld dan in de afgelopen tien jaar en… ik vind het fijn.
Dat gevoel is echter binnen één tel verdwenen als ze zegt: ‘Dennis ligt ook op deze afdeling.’
Ik verstijf even in haar omhelzing en trek me dan van haar terug.
‘Ben je al bij hem geweest?’ vraagt ze.
Ik schud mijn hoofd en ontwijk haar priemende ogen door mijn blik op Eric te richten, die achter mijn moeder langs naar Hugo loopt en hem zo’n typisch mannelijke knuffel geeft, waarbij ze elkaar half omhelzen en op elkaars rug kloppen.
‘Schat, hij—’
‘Hoe gaat het met Luc?’ praat ik snel door haar heen, want ik wil het echt niet over Dennis hebben, en al helemaal niet met haar. Ik denk niet dat mijn moeder ooit zal begrijpen waarom ik Dennis heb verlaten, zelfs niet als ze de volledige waarheid kent.
‘We kunnen zo even bij hem gaan kijken,’ stelt mijn moeder voor als ze bij me weg stapt en ook Hannah een korte knuffel geeft. Daarna stroopt ze haar linkermouw een beetje op en werpt een blik op haar horloge. ‘We kunnen nu gaan, als je wil. Ze zijn waarschijnlijk nog wel even met Celine bezig en anders zitten we hier ook maar wat te wachten…’ Ze klinkt bedroefd als ze dat zegt en mijn hart breekt voor haar. Het lijkt me vreselijk voor haar om hier de hele tijd te moeten wachten, tot ze nieuws krijgt over haar dochter.
Zou ze zich ook zo voelen als er iets met mij gebeurt?
Het voelt verkeerd om me dat af te vragen, maar ik kan er niets aan doen — het gebeurt vanzelf. Ik ben nou eenmaal niet haar echte dochter en ik kan me niet voorstellen dat ze net zo veel van mij houdt als van haar biologische dochter.
Toch verdring ik die gedachte uit mijn hoofd, want het doet er nu niet toe. Het enige wat nu belangrijk is, is dat het straks beter gaat met Celine en mijn ouders geen afscheid hoeven te nemen van hun kind.
‘Waar is papa?’ vraag ik aan mijn moeder, aangezien ik zijn aanwezigheid mis in deze ruimte.
‘Die is even naar huis om wat spullen te halen,’ antwoordt ze en ze draait zich om naar Eric en Hugo. ‘Bellen jullie me meteen als ze eerder komen? Wij gaan even naar Luc.’
Oké, blijkbaar ga ik naar Luc, ook al heb ik daar nog niet mee ingestemd. Het is niet zo dat ik mijn kersverse neefje niet wil zien, maar het betekent ook dat ik weer door de gangen van dit ziekenhuis moet struinen en daar kijk ik niet bepaald naar uit. Ik wil Tieneke niet nog een keer tegenkomen, Dennis ergens zien, of langs de plek lopen waar het tien dagen geleden misging. Ik kan echter geen nee zeggen, niet nu mijn moeder zo verdrietig is en dit haar wat afleiding kan bieden.
En dus loop ik een paar minuten later arm-in-arm met mijn moeder door de gang van de intensive care unit. We lopen naar de uitgang van de afdeling, omdat Luc op de neonatologieafdeling ligt en we deze afdeling dus moeten verlaten om naar hem toe te kunnen gaan.
‘Dennis ligt in die gang,’ zegt mijn moeder als we na het koffiehoekje rechtsaf willen slaan. Ze wijst naar een andere gang dan die waar we net vandaan komen en ik kijk er automatisch naar, maar wend mijn blik ook snel weer af. ‘Weet je dat hij is neergeschoten op de avond waarop we allemaal hier waren?’
Ik slik en weet wederom niet wat ik moet zeggen. Natuurlijk weet ik dat, maar mijn moeder weet niet dat ik dat weet. Ze weet ook niet dat Eric en ik er soort van bij waren, want dat hebben we nooit aan iemand verteld. Nadat Eric me wegtrok bij Dennis en Ryan en we de geweerschoten hoorden, besliste hij dat het beter was als we onze mond erover zouden houden. Ik kon er op dat moment niets tegenin brengen – ik was te overstuur – maar ik denk dat ik dat achteraf ook niet had gewild. Het is gemakkelijker om te doen alsof we er niet bij waren, dan iedereen te moeten vertellen waar we getuigen van waren geweest.
De schuifdeuren van de intensive care unit gaan open en we slaan linksaf.
‘Blijkbaar liep er die nacht een of andere gek rond met een pistool,’ praat mijn moeder verder en ik voel een steekje in mijn hart, want de gek waar ze het over heeft is Ryan. Al heeft ze het natuurlijk eigenlijk over Dennis, zonder dat ze het doorheeft, want hij was de echte gek die met een wapen liep te zwaaien. ‘Die arme jongen is—'
‘Mam, ik wil het niet over Dennis hebben,’ besluit ik dan toch maar te zeggen, want ik ben bang dat ze er anders niet over ophoudt.
‘Je hebt vier jaar een relatie met hem gehad,’ dringt ze alsnog aan en ik slaak een inwendige zucht, terwijl ik me afvraag wat ik kan doen om haar te laten stoppen — ik vrees dat dat onmogelijk is. ‘Ik snap dat jullie nu even uit elkaar zijn, maar…’
‘Snap je dat écht?!’ onderbreek ik haar nogmaals en mijn toon is vinniger dan mijn bedoeling was. Ik blijf stilstaan, wurm mijn arm los uit de hare en sla mijn armen over elkaar. Als ik de beteuterde uitdrukking op haar gezicht zie heb ik meteen spijt. Dit is niet de tijd of de plek… ‘Sorry, mam, maar… ik wil het er gewoon niet over hebben.’
Ze aarzelt zichtbaar, maar knikt uiteindelijk kort. ‘Laten we naar Luc gaan.’
We lopen verder en het voelt ongemakkelijk, omdat mijn moeder zich duidelijk de hele tijd in moet houden om er niet nog iets over te zeggen. Blijkbaar hebben we ook geen andere gespreksonderwerpen, want het blijft de rest van de weg naar de afdeling neontologie angstvallig stil.
Als we bij Lucs kamertje komen moeten we net als de vorige keer dat ik hier was onze handen wassen, een schort aantrekken en hoezen over onze schoenen aantrekken. Door het glazen raam zie ik dat er een verpleegkundige naast de couveuse van Luc staat, ze tikt wat dingen in op een tablet en kijkt dan naar een monitor.
Ik schrik me dood als er plots keihard muziek door de kleine tussenruimte van Lucs kamer klinkt en ik kan niet meteen thuisbrengen waar het vandaan komt. Het is de intro van het nummer Dancing Queen van Abba.
‘Shit, shit, shit,’ vloekt mijn moeder en ze voelt verwoed over haar schort. Ze trekt de lap stof omhoog en haalt haar telefoon uit de zak van haar vest. ‘Ja?’ zegt ze als ze de telefoon tegen haar oor drukt.
Naast me gaat er een deur open en de verpleegkundige die net nog bij Luc bezig was voegt zich bij ons in de kleine ruimte. Hoewel ze een mondkapje draagt is duidelijk zichtbaar dat ze boos naar mijn moeder kijkt. ‘Mevrouw, u mag hier niet bellen.’
‘Ja, ja… sorry,’ verontschuldigt ze zich met een opgestoken hand naar de verpleegkundige. ‘Wacht even,’ zegt ze in de telefoon. Dan richt ze haar blik op mij. ‘Ik kom zo, ga jij maar alvast naar binnen.’
Dat wil ik helemaal niet, niet alleen, maar voordat ik iets kan doen of zeggen snelt mijn moeder naar de gang en verdwijnt ze uit mijn zicht.
‘Je moet een mondkapje dragen,’ zegt de verpleegkundige, terwijl ik nog naar de lege gang staar waar mijn moeder zojuist naartoe is gelopen. Ze pakt een doosje van een rek en trekt er een mondkapje uit, dat ze aan mij overhandigt. ‘Hopelijk staat jouw telefoon wel uit,’ zegt ze nog, voordat ze haar eigen mondkapje van haar gezicht trekt en in een afvalemmer werpt.
Dat zal geen probleem zijn, want mijn telefoon staat al tien dagen uit.
De verpleegkundige trekt haar schort en handschoenen uit en gooit deze ook in de afvalemmer. Daarna vertrekt ze en blijf ik alleen achter in de kleine tussenruimte, met achter het glas de couveuse van mijn kleine neefje. Hij ligt daar helemaal alleen en ook al voel ik me zwaar ongemakkelijk, ik besluit om toch in mijn eentje naar binnen te gaan. Mijn ongemak is onbelangrijk naast alles wat hij al in zijn korte leven heeft moeten doorstaan.
Ik trek aan de touwtjes van het mondkapje en bevestig die achter mijn oren, waarna ik een paar keer diep inadem en mezelf intern wat moed inspreek. Daarna druk ik op de knop om de schuifdeur naar zijn kamer te openen.
Er klinken wat piepjes in een regelmatig en bijna rustgevend tempo, maar ik hoor vooral mijn eigen ademhaling onder het mondkapje en het bonzen van mijn hart tegen mijn borstkas. Mijn blik is op de couveuse gericht en ik vind Luc er nog net zo kwetsbaar uitzien als tien dagen geleden.
Langzaam schuifel ik dichterbij en ik weet niet waarom, maar ik durf het deze keer wel aan om hem aan te raken. Ik ga naast de couveuse staan en steek voorzichtig mijn hand door een van de ronde gaten aan de zijkant.
Mijn vingertoppen raken zacht zijn kleine arm.
Daarna streel ik vederlicht over zijn blote buikje.
Maar al snel trek ik geschrokken mijn hand terug als de monitor naast me luid begint te piepen. Geen zachte of regelmatige piep, maar luid en alarmerend gejengel.
Met grote ogen kijk ik naar het scherm, maar ik heb geen idee wat ik precies zie. Er flikkeren allerlei dingen op de monitor en het geluid lijkt met de seconde hysterischer te worden. Ik kijk om me heen, zoekend naar een alarmknop of iets dergelijks, maar ik zie zo snel niets.
Op dat moment schuift de deur naar de tussenruimte open en snellen er meerdere mensen in witte uniformen naar binnen. Ze hebben niet de tijd genomen om een schort aan te trekken en een mondkapje voor hun gezicht te doen, wat me des te meer duidelijk maakt dat dit een noodsituatie is.
Ik word opzij geduwd en er wordt iets tegen me gezegd, maar ik hoor het niet.
Ik kan alleen maar kijken naar die kleine Luc en de handen van degene die de couveuse aan de zijkant openklapt.
Het voelt alsof ik droom, alsof ik weer een nachtmerrie heb.
Dit mag niet gebeuren.
Niet nu.
Ook niet morgen.
Dit mag nooit gebeuren.
Luc moet het redden, dat moet, want hij en Celine moeten elkaar nog ontmoeten. Ze moeten een lang en gelukkig leven leiden en later met een glimlacht en een gevoel van trots terugkijken op deze zware periode.
Please, geef niet op, kleine vechter…


Wat vond je van dit hoofdstuk?

Rating: 4.5454545454545 sterren
11 stemmen

Reactie plaatsen

Reacties

Er zijn geen reacties geplaatst.