Ik zag Dennis een kleine tien minuten geleden met Rose de kroeg verlaten en wanneer ik hem zonder haar - met een bepaalde woeste blik in zijn ogen - weer terug naar binnen zie lopen, bekruipt me een onheilspellend gevoel. Ik kom overeind van mijn kruk en let op dat ik niet alsnog door Dennis opgemerkt word, om mezelf vervolgens richting de uitgang van de kroeg te begeven.
Zodra ik door de deur naar buiten loop en haar zie, schiet er een rilling vanaf mijn kruin naar mijn tenen. Rose zit aan de overkant van de straat, in het donker in elkaar gedoken, en ik hoor haar zachtjes snikken. Een onbekend gevoel - in de vorm van een stekende pijn bij mijn hartstreek - schiet door mijn lichaam, vergezeld door een intense woede.
Mijn vermoedens over Dennis worden hierdoor bevestigd, want die klootzak heeft haar gewoon een klap verkocht. Vuile lafaard.
Ik kan niet negeren wat ik zie, dus loop op haar af, op een rustig tempo - bijna alsof ik haar besluip - want ik wil haar niet laten schrikken. Wanneer ik vlak voor haar sta, hurk ik voor haar neer en leg ik mijn beide handen op haar schouders.
De witte jurk die ze draagt is op haar linkerschouder gescheurd en ik zie dat de huid eronder paars gekleurd is. Een van haar knieën is geschaafd en uit haar neus druipen meerdere druppels bloed.
Haar blik schiet omhoog en ik zie aan haar blik dat ze me herkent, van zojuist in de kroeg. Deze herkenning wordt meteen opgevolgd door schaamte en ze slaat haar ogen neer. 'Ga weg,' fluistert ze. Ik vermoed dat ze ook bang is — misschien voor de gedachte dat Dennis terugkomt.
'Ik wil je helpen.' En niet alleen nu. Ik wil haar met zoveel meer helpen, maar ik begrijp zelf niet eens waarom — dus ik neem niet de moeite om dat aan haar uit te leggen. Ik kom weer overeind en strek mijn hand naar haar uit, waar ze even vertwijfeld naar staart. 'Je neus bloedt.'
Ze veegt met de rug van haar hand onder haar neus en ziet vervolgens hoe haar hand rood gekleurd is. Ze schrikt er niet van, dus ik vermoed dat dit niet de eerste keer is dat Dennis haar geslagen heeft. Natuurlijk is dit niet de eerste keer.
'Laat me je helpen,' dring ik aan en ik beweeg mijn hand nog wat dichter naar haar toe, wanhopig hopend dat ze hem aan zal nemen. Het liefst tilde ik haar nu gewoon op en nam ik haar mee, maar ik wil me niet aan haar opdringen — niet na wat ze zojuist heeft moeten doorstaan.
Het voelt als een opluchting - alsof er een gewicht van mijn borstkas verwijderd wordt - als ze mijn hand uiteindelijk aanneemt en zich door me overeind laat trekken. Zodra ze overeind staat, wurmt ze haar hand meteen los uit de mijne en knijpt ze met haar duim en wijsvinger in haar neusbrug, om het bloed te stelpen.
Ik leg mijn hand op haar elleboog en ik krijg een verschrikte blik van haar saffierblauwe ogen — die enigszins rood doorlopen zijn door het huilen. 'Rustig maar. Ik doe je niets,' stel ik haar gerust. 'Ik wil een zakdoek voor je pakken.'
Een van mijn appartementen - die ik wel eens voor mijn meisjes gebruik - ligt hier om de hoek en ik wil haar daar naartoe meenemen, zodat ik haar verwondingen kan verzorgen en ze veilig is voor die klootzak van een Dennis.
Ze lijkt even te twijfelen, maar laat zich uiteindelijk door me meenemen naar het appartement. Ondanks de omstandigheden geniet ik van het gevoel van mijn hand op haar blote huid. Ik zal absoluut geen misbruik van haar maken, dus ik raak haar verder op geen enkele manier onnodig aan, maar fuck… dit voelt gewoon goed of zo.
Zij voelt gewoon goed en ze doet tevens iets met mijn gevoel.
Ik wist niet eens dat ik gevoel had, op deze manier.